lungs

Orgaandana: ultieme vorm van dana paramitra?

Tot en met 24 oktober is het nationale
donorweek
, een mooi moment om stil te staan bij de
vraag of orgaandonatie de ultieme vorm van dana paramitra – de boeddhistische
deugd van vrijgevigheid – is. In Vorm & Leegte verscheen hierover een
uitgebreid artikel van Diana Vernooij.

Uit het diepe besef van niet-zelf
volgt een spontaan geven, of integendeel: wordt de laatste kans van stervenden
op realisatie ontnomen door het uitnemen van organen? Christelijke en
islamitische tradities hebben ethische beginselen waardoor men huiverig staat
tegenover orgaandonatie. Boeddhisten zijn vooral uit pragmatische overwegingen
voorzichtig met orgaandonatie: het (karmisch) heil van gever en ontvanger is in
het geding.

Het boeddhisme definieert het stervensmoment
anders dan het westen, aldus Jean Karel Hylkema. En hij ziet dat als een
tendens die tegen orgaandonatie pleit. Het westerse moment van sterven is het
moment dat iemand haar of zijn laatste adem uitblaast of hersendood is.  Met name het Tibetaans boeddhisme kent een
uitgebreide beschrijving van het stervensproces.  De voltooiing van de eerste hoofdfase van het
sterven, het desintegreren van het materiële lichaam, valt samen met het
westerse stervensmoment. Deze fase heet ‘de bardo van voor het moment van
sterven’ waarbij er vier fasen zijn: het oplossen van het element aarde in het
element water en vervolgens de elementen water in vuur, vuur in lucht, en lucht
in ruimte. In de boeddhistische visie komen hierna nog twee hoofdfasen. Eerst
is er het oplossen van het mentale lichaam dat zelf weer in drie fasen geschiedt, waarbij eerst alle agressie, daarna alle passie en ten slotte alle
onwetendheid oplost. Deze fase eindigt in een tijdelijke black-out.

Vervolgens is er het desintegreren van het
individuele bewustzijn, waarin het energielichaam van de stervende oplost. De
stervende kan dan het heldere bronloze licht, dat in alle religies gekend
wordt, ervaren en zoals de teksten dat zo prachtig noemen: ‘bij herkenning er
in opgaan, zoals een kind van nature de moederschoot vindt’. In alle fasen van
het sterven is er een gewaarwording door de stervende. Een persoon die geoefend
is in het Tibetaans boeddhisme kan deze gewaarwording gebruiken om alsnog tot
realisatie, tot verlichting, te komen. Hylkema heeft persoonlijk in
bijna-dood-ervaringen en uittredingservaringen deze kennis ervaren en ook
herkende hij de fasen aan het sterfbed van anderen. Deze boeddhistische kennis spreekt
naar zijn zeggen tegen orgaandonatie. Het uitnemen van organen dient zo snel
mogelijk na het vaststellen van de ‘westerse dood’ te geschieden en er is dan
een gerede kans dat het gehele stervensproces van de acht onderfasen nog niet
is voltooid. Hierdoor kunnen voor de donor kansen op realisatie verloren gaan.

Donor – dana
Toch is Hylkema heel expliciet en positief in
zijn mening over orgaandonatie. Hij heeft zijn lichaam, na zijn dood, ter
beschikking gesteld van orgaandonatie, onder de voorwaarde dat hij bewust is
overleden (volgens alle fasen van het stervensproces). Ook stelt hij graag de
organen die hij bij voortzetting van zijn leven kan missen ter beschikking van
anderen, als daardoor de kwaliteit van iemands leven aanzienlijk wordt verbeterd
en hij het gevoel heeft dat de ontvanger daar ook (in boeddhistische zin) goed
gebruik van zal maken. Hij zal graag iemands organen ontvangen, wanneer
daardoor de kwaliteit van zijn leven zo verbeterd kan worden dat hij meer tijd
voor studie en beoefening heeft en dit unieke leven als mens kan gebruiken om
vorderingen op weg naar boeddhaschap te maken. Maar, weet hij: “In de praktijk
is mijn keuze meer theoretisch dan praktisch. Inmiddels, twintig jaar na het
opstellen van mijn codicil, zijn mijn organen te oud zijn voor transplantatie
en zullen de nadelen van het ondergaan van een transplantatie voor mij niet
meer opwegen tegen de voordelen van verbetering van de kwaliteit van mijn
leven.”

Varamitra heeft nog geen donorcodicil.
“Sterven doe je niet alleen,” zegt hij “er zijn vrienden en familie betrokken.
En met name het afscheid nemen van iemand die al wel hersendood is maar nog
niet echt dood is een uitermate ingrijpende gebeurtenis. Het moment van sterven
wordt bij orgaandonatie bepaald door de kwaliteit van de organen en de
beschikbaarheid van patiënten die wachten op een orgaan. Dat kan zowel
betekenen dat het lichaam langer in leven wordt gehouden of dat het moment van
afscheid nemen zich acuut kan aandienen.”

Henk Barendregt is persoonlijk voor
orgaandonatie, zowel als voor ontvangst. Maar hij noemt nog een ander punt om
in ogenschouw te nemen: het karmisch effect van het gedoneerd krijgen. Het
ontvangen van een nier bijvoorbeeld, is niet karmaneutraal. “Karma ontstaat als
het gevolg van genen en opvoeding en daar komt bij transplantatie nog een extra
mogelijke oorzaak bij.

Ons gemoed, met name stress, wordt sterk bepaald door de
interactie tussen onze bijnier en de hypofyse. En stress beïnvloedt weer ons
hele systeem.” Een orgaan ontvangen betekent dat men moet weten dat men een
andere stressdrempel kan krijgen. “Orgaandonatie kan in principe tot een
veranderde persoonlijkheid leiden, tot voor de persoon tot dan toe onbekend
karma.”

‘Mijn’ realisatie
Edel Maex en Varamitra wijzen beiden op de
beoefening van het Bodhisattva ideaal, waarbij je jezelf beschikbaar stelt om
alle levende wezens te redden. Vanuit dat perspectief gezien is orgaandonatie
een goede zaak. Daarom ook vindt Edel Maex de stelling van Hylkema dat door
voortijdig wegnemen van organen kansen op realisatie verloren kunnen gaan een
contradictio in terminis. “Sinds wanneer is realisatie ‘mijn’ realisatie”
vraagt hij zich af. “Het Bodhisattva ideaal betekent toch ook het opgeven van
de eigen realisatie ten voordele van de realisatie van anderen?”

Varamitra vertelt over een legende over de
vroegere levens van de Boeddha, waarin hij zijn lichaam beschikbaar stelt als
voedsel voor een uitgehongerde tijger en haar welpen. Je zou kunnen zeggen dat
de Boeddha hier een daad van ultieme onthechting en vrijgevigheid beoefent. Ook
Maex komt met een legende als voorbeeld. De Guanyin legende is een Chinese
boeddhistisch verhaal en vertelt hoe prinses Miaoshan haar oog en arm offerde
om haar (zeer wreedaardige) vader te redden. Het is een uitdagend verhaal dat
dateert uit een tijd waarin men niet kon vermoeden dat orgaandonatie ooit een
technische mogelijkheid zou worden. Het verhaal gaat over prajna-karuna, over
compassie die volgt uit wijsheid: uit het diepe besef van niet-zelf volgt een
spontaan geven. Maex: “Eigenlijk is het voornaamste al gezegd als je
etymologisch kijkt. ‘Donor’ is verwant aan de belangrijke boeddhistische deugd
‘dana’, geven.” Hij vertelt dat in Sri Lanka jonge monniken soms een nier
afstaan voor transplantatie, als vorm van ‘dana’. In tegenstelling tot andere
landen is verkoop van organen in Sri Lanka verboden, om misbruik tegen te gaan.
Alleen familieleden en monniken mogen organen schenken. Maar, voor je zo’n daad
kunt doen is er een basis van langdurige beoefening en vervolmaking van de zes
paramita’s (deugden) nodig, benadrukt Varamitra. Het is geen rationele of
sentimentele beslissing. Om als (aspirant) Bodhisattva een gezond orgaan te
doneren, moet er een zekere mate van realisatie zijn, van onthechting en vrijgevigheid.

Humaan
In België is volgens de wet iedere burger per
definitie donor, tenzij hij bezwaar aantekent. Maex, die in Vlaanderen woont,
is verrast dat een dergelijke vanzelfsprekendheid in Nederland een probleem
blijkt te zijn. In Nederland staat slechts 18% van de volwassenen als
orgaandonor geregistreerd. Een gelijk percentage heeft zich laten registreren
als tegen het donorschap en het merendeel van de volwassenen heeft niets
bepaald. Maex vindt er absoluut niets mis mee, als de staat ervan uitgaat dat
mensen bereid zijn tot orgaandonatie, tenzij het tegendeel blijkt. Iedereen kan
expliciet vast laten leggen dat hij tegen orgaandonatie is. “Als ik morgen
doodgereden word, dan kan ik mijn nieren niet langer gebruiken. Als er niets
gebeurt zullen ze op heel korte tijd stoppen met werken en afsterven. Als ze
voor iemand anders levensreddend kunnen zijn, vind ik het prima dat de staat er
van uit gaat dat ik humaan genoeg ben om die ander dat te gunnen.”

Hylkema, Barendregt en Varamitra, allen Nederlanders,
zijn tegen het Belgische systeem. Varamitra vindt het zelfs volstrekt
ontoelaatbaar: “Er wordt volledige voorbijgaan aan het zelfbeslissingsrecht van
de mens en vooral ook dat het lichaam en de mens meer is dan een rationeel
rondwandelende verzameling van organen. Respect voor het leven en geen schade
(fysiek of emotioneel) toebrengen aan anderen zou het uitgangspunt moeten zijn.
Ik blijf erbij dat iemand zelfstandig en expliciet moet hebben aangegeven dat
hij/zij zijn organen beschikbaar stelt.” En Barendregt voegt toe: ”Iemand die
niet reageert verleent daarmee nog niet zijn of haar toestemming. Orgaandonatie
kan tegen het waardesysteem zijn van die persoon of van diens naasten.” Wat
Barendregt wel verplicht zou willen stellen is dat de wens organen te ontvangen
wordt gekoppeld aan de verplichting om na het overlijden organen te geven.

Stimuleren
Minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst
verweet moslims dat zij vanwege hun geloof wel organen mogen ontvangen, maar
niet willen afstaan. De Turks-islamitische organisatie Milli Görüs startte
daarop een donorproject, organiseerde informatiebijeenkomsten, maakte een video
over moslims die organen hebben ontvangen en reikte donorcodicils uit na het
vrijdagmiddaggebed. Ligt zoiets ook op de weg van boeddhistische organisaties?

Hylkema vindt niet dat het op de weg van het
(georganiseerde) boeddhisme ligt leden van de achterban tot bepaalde keuzen te
stimuleren, anders dan aan te bevelen hier goed over na te denken.
Tegelijkertijd kan Hylkema zich moeilijk voorstellen dat iemand die denkt
boeddhist te zijn, niet uit eigen beweging donor wordt. Ook Varamitra vindt het
onderwerp zeker het bespreken waard met Sanghagenoten of je leraar. Maar er mag
absoluut geen sprake zijn van groepsdwang in de zin van dat je alleen maar een
‘goede boeddhist’ bent als je voor orgaandonatie bent. Waar het om gaat is dat
men de keuze zorgvuldig maakt en dat deze keuze past in de eigen beoefening.
Maex denkt dat religies wel degelijk hun stem kunnen gebruiken. Zij hebben de
taak het goede in de mens te cultiveren. Boeddhistische organisaties doen niet
anders dan oproepen tot prajna-karuna. Dat is wezenlijk voor het boeddhisme.
Maar ook hij benadrukt dat boeddhisme van nature niet dogmatisch is of
moralistisch. Prajna-karuna is niet iets wat ‘zou moeten’. Het is iets wat
groeit doorheen de beoefening van de dharma. De taak van de boeddhistische
vereniging is dus niet te moraliseren of voor te schrijven hoe te handelen,
maar de beoefening van wijsheid en compassie mogelijk te maken. Maar als een
beoefenaar van het boeddhisme de vraag stelt: “Is het goed om te geven?” ligt
het antwoord voor de hand: “Ja”.

Uit: Vorm & Leegte 6 – winter 2006,
redactie: Diana Vernooij