fidessa_groot

Geloof, hoop en liefde


Drie weken geef ik mezelf, om in volledige eenzaamheid mijn boek af te
schrijven. Maar met deze droom, neem ik ook mezelf mee. Hoe ga ik daar mee om?
Je leest het in het universele dagboek van Fidessa Docters van Leeuwen. Een
verhaal over een berg, een boek en een vrouw.

Met een stapel
beschreven velletjes vertrek ik naar Spanje. Geloof, hoop en liefde heb ik ook
ingepakt, en dan denk ik aan het gouden hangertje van mijn moeder, waar ik
altijd mee speelde. Terug naar de realiteit. Mijn opdracht is om mijn boek af
te maken. Het boek waar ik intussen al twee jaar in de avonduren, weekenden aan
werk. Nu wil ik erin springen, een plons als in het zwembad, om in de diepte
van de stilte de woorden te schrijven, die ik heb te schrijven.
Het kost me moeite mijn koffer de berg op te krijgen, toch te veel meegenomen.
Terwijl mijn adagium is om licht te reizen. Maar met een laptop en boeken en
research, tja.
Het huisje lijkt zo uit een sprookje weggelopen, ongelijke stenen bovenop
elkaar gestapeld, het had ook ontbijtkoek kunnen zijn. Door mijn raam zie ik de
berg. Er staat een tafel onder – hier gaat het gebeuren, denk ik. Steeds draait
mijn blik naar het uitzicht, de berg die ik al snel mijn berg zou gaan noemen.
Over Cómpeta wordt gezegd dat je in dit dorpje de schoonste lucht van Spanje
inademt. ’s Ochtends rol ik mijn yogamat buiten uit en geef me over aan mijn
adem en stel me voor hoe ik me longen was.
Daarna zit ik in mijn bikini op een kussen op een stoel en tik ik. Uren
achtereen. Zonder klok ingegeven volg ik een ritme, het ritme van de natuur,
mijn eigen ritme?
Af en toe, bij wijze van pauze wandel ik mijn berg af. En altijd als ik naar
beneden loop, schud ik iets van me af. Zodra ik weer ‘los’ ben, komt mijn
hoofdpersoon Kore tevoorschijn en zij fluistert me in waar het verhaal moet
gaan. Ze is net elf, maar weet het precies! Samen wandelen we richting het
dorp. Daar aangekomen verdwijnt ze en laat haar oma zich zien. Of ik niet
vergeet te schrijven dat bezit niet belangrijk is, zolang er adem is, is er
geloof, hoop en liefde. En ook daarna, ze kan er niet veel over zeggen, is het
mooi.
Ik drink water met prik en een schijfje citroen. Op het terras staar ik voor me
uit. Sinds ik schrijf is er geen plek meer voor lezen. Mijn hoofd zit vol
woorden, die willen eruit, er mogen pas nieuwe in als de mijne geschreven zijn.
In de staar vind ik rust. Even, want Nathalie Goldberg zit in mijn tas. Zij
heeft geschreven over creatief schrijven vanuit het hart. Schrijven is haar
zenbeoefening, ook de mijne.
Een paar dagen later kom ik erachter dat ik in het huisje internet heb. Neee,
schreeuwt het in mij. Om vervolgens toch een brief aan mama, broer en lief te
zenden. Over bougainville, witte dorpjes, stilte, eenzaamheid die niet alleen
is.
De volgende dag ben ik al op de digitale snelweg, voordat ik wist dat ik ging.
Hij ligt eruit, maar ik wacht op antwoorden. Weer word ik door de wereld
gewezen op mijn afhankelijkheid. Eentje waar je je voortdurend van los heb te
maken.
Stilte wordt nooit saai, vandaag ervaar ik wat ik weet. Een groot verschil.

De berg geeft me een
idee van stevigheid, ook als ik het niet weet. Op de dagen dat ik mijn boek
helemaal omgooi. Dat is net op het moment dat ik de eigenaresse van het rural
hotel tegenkom en zij me vraagt: ‘Hoe gaat het?’
Ik besluit mijn geest opnieuw af te leiden. Vandaag gaan we vrij schrijven. We
doen het zo, ik hou mijn pen vast, jij denkt en voelt, en ik volg jou. Mijn pen
blijft over het papier gaan, zonder te stoppen. Spelfouten en grammatica doen
niet mee. Vertrouw me, ik volg jou, voortdurend.
Voor het slapengaan lees ik met een knijpkat mijn geschreven stukjes onder een
oneindige grote sterrenhemel. Dankjewel, zeg ik tegen de nacht.
Tijdens deze drie weken
lig ik regelmatig wakker, omdat mijn parallelle werkelijkheid juist in de nacht
ideeën heeft, verder wil werken.  Er ligt een pen en kladblok naast het
bed. Ik begrijp het wel, dat hoort bij plonzen, de diepte kent vele dimensies
en laat zich graag van alle kanten bekijken.
De volgende ochtend zie ik de zon opgaan en denk aan Vincent van Gogh. Hij kon
niet anders dan weer met zijn ezel en zijn olieverf erop uit trekken. De
zonnebloemen waren vandaag op hun mooiste. Dat had hij gisteren ook gedacht,
maar vandaag was het weer zo. Al die schoonheid moest door hem heen, dat moest
hij vastleggen, anders zou het ons ontgaan.
Mijn stapel groeit gestaag. Zonder printer zie ik de paginanummers op het
beeldscherm toenemen. Eigenlijk, denk ik, is dit een schrijfretraite, die ik
zelf heb gemaakt. In stilte, alleen, zonder praten werk ik en werk ik.
Er komt een berichtje binnen. Mijn ingezonden gedicht wordt gepubliceerd in
Poetry of Yoga. Ik glimlach en schrijf verder.
Als ik na een lunch in het dorp de berg weer oploop kijk ik om me heen. Ik zie
bloeiende bamboe, geen boeddha’s. Wel heb ik verhalen van mama’s die zeven
kinderen hebben en vijf miskramen en in totaal twaalf keer zwanger zijn
geweest.  Deze mama is slechts zeven jaar ouder dan ik; een ik met nul
kinderen. De wereld wordt in verscheidenheid geleefd, denk ik. Het is aan ons
hierin elke keer weer de schoonheid te ontdekken.
Ik tik wat, maar het loopt niet lekker. Nathalie zegt dat ik buiten moet gaan
zitten. Schrijf wat je ziet. Vijf minuten. Nu.
Weer terug schuif ik achter mijn tafel en ga door. Je moet er gewoon doorheen
schrijven, realiseer ik me, wat er ook gebeurt. Net als ademen op de yogamat.
Zondag om 22.00 uur is mijn boek af. Af in de zin van dat ik besluit dat de
wereld het mag zien. Want dat is af. Zodra een ander begint te lezen is het
verhaal opnieuw begonnen.
Pas om 23.35 uur zet ik een copy op een usb-stick. Dan ga ik naar buiten met
een kop thee. Een tijd mediteer ik op mijn strandstoel, om zonder denken deze
ervaring te vieren en weer achter me te laten.
Op een mooie maandag word ik leeg wakker. Ik neem vakantie, één dag.

Dag berg. Dankjewel. Ik
ga. Met mijn boek: De Priesteres, de vrouw met de innerlijke wijsheid, naar
mijn lief.