bodhi_vukeleku_2009-960×370-13

VU week: Wat zegt D.T. Suzuki?


Het is weer VU week bij Bodhitv! De hele week publiceren we essays van studenten Oosterse filosofie aan de VU. Jeroen Kok probeert een antwoord te vinden op de vraag: Wat zegt D.T. Suzuki?

Suzuki was een Japanse denker die het zenboeddhisme probeerde uit te leggen in een dialoog met westerse filosofie. Om een verhandeling te geven over wat D.T. Suzuki inhoudelijk zegt, heb ik mij gebaseerd op teksten uit The Buddha Eye: An Anthology of the Kyoto School and Its Contemporaries van Frederick Franck.

Het Zelf
Zen is het leegmaken van alle ideeën over onszelf, de manier waarop wij onszelf interpreteren op grond van ondermeer psychologische ideeën. Het ‘ik’ is verstrikt geraakt in allerlei opvattingen over zichzelf in morele, filosofische en spirituele zin en daar moet het van bevrijd worden aldus Suzuki. Onder al die opvattingen ligt namelijk het niveau van wie wij werkelijk zijn. zen nodigt uit op zoek te gaan wat mijn diepste zelf is, voorbij al de ideeën die ik tot dan toe over mezelf heb gekoesterd.

leegteDe leegheid die dan ontstaat, is niet “leegheid” in de zin dat er niets meer is, maar leegheid in de zin van het ontdoen van de ideeën over ons zelf. Deze leegheid heeft volgens Suzuki iets goddelijks, iets onsterfelijks. Het zelf is dan gereinigd van zijn egocentrische zelfopvattingen. Maar er blijft dan ook niets over en daarom spreekt het boeddhisme over het anatman: er is geen zelf. Hoe kunnen we hier ooit grip op krijgen? Hoe is het mogelijk dat er eigenlijk geen zelf is? Het is moeilijk hier woorden voor te vatten. Het is eigenlijk niet te begrijpen met ons verstand, maar wel met ons hart of onze intuïtie. Alleen door persoonlijke ervaring kan men er achter komen wat dit betekent.

Ons zicht op de maan
?Deze essentie is niet te vatten in taal. In de taal zijn allerlei labels (zoals het verschil tussen man en vrouw) die ons zicht vertroebelen op wie we werkelijk ten diepste zijn. Taal is als de vinger die naar de maan wijst. Om de maan te zien, moeten we niet naar de vinger blijven kijken, maar ons zicht op de maan richten. Suzuki maakt gebruik van allerlei zen-verhalen om de essentie van religie uit te leggen. Deze verhalen zijn bedoeld om de lezer aan te drijven op zoek te gaan naar het diepste zelf. Zo vertelt hij over een monnik die vraagt waarom Bodiwar naar Japan kwam om zen te stichten. Hij krijgt als antwoord dat hij niet naar Bodiwar moet vragen, maar naar zichzelf. Dit verhaal haalt Suzuki vele malen aan om de essentie van zen duidelijk te maken.

Jnana betekent dat we het niet van een leraar geleerd hebben. Het heeft niet te maken met intellectueel verworven kennis. Het is iets wat we diep van binnen met ons meedragen. Om ons daarvan bewust te worden, vereist een grote mate van zelfdiscipline op moreel, intellectueel en spiritueel vlak. Er is iets in jou verborgen en door zen kunnen we vertrouwd raken met die kennis onder grenzen van het bewustzijn. De werking van sunyata heeft te maken met processen zowel in het bewuste deel van de mens als in het onbewuste deel.

Wat is het Ik?
Wat is het Ik? Wie ben ik? Alleen het antwoord dat uit jezelf komt, is bevredigend, zegt Suzuki, niet het antwoord van een leraar of een boek. Wanneer je zelf het antwoord geeft op de vraag, dan kun je er ook werkelijk iets mee. zen helpt ons echt te zijn, authentiek, vanuit onszelf levend. Dat is volgens Suzuki het doel van zen. De zen verhalen dienen als voorbeeld hierbij zodat de lezer uitgenodigd wordt aan de slag te gaan hiermee op een niet-intellectuele manier.

Zen was oorspronkelijk de naam van een boeddhistische school in China ongeveer 1300 jaar geleden. Elke toenmalige school concentreerde zich op de vraag: wat is het Ik? Wat is het ware Zelf los van wat we weten en zien van onszelf? Om die vraag te beantwoorden heeft zen zijn eigen methodiek ontwikkeld die veel mensen overtuigd heeft van zijn nut. We raken onze onschuldige naïviteit kwijt die we als kind hadden in relatie tot ons zelf. zen helpt ons weer dichter bij onszelf te leven. Die kinderlijke manier van dichtbij onszelf leven raakt volgens Suzuki bedolven in ons innerlijk onder een dikke laag van labels over onszelf. Het is de kunst dat weer op te delven. Het intellect staat hierbij in de weg, want het wil alles analyseren en in stukjes hakken terwijl het er in essentie om gaat weer dichtbij onszelf te leven. Dat vraagt een andere kunst dan ons verstand alleen ons kan bieden. De zoektocht naar onszelf is niet een heel intellectueel logische manier van doen.

Satori
Satori is een manier van kijken waarbij de sluier van relativiteit wegvalt en je opeens de dingen in een ander licht ziet. Een mens kan alleen maar aan den lijve ervaren wat satori betekent; het is niet intellectueel aan te leren door een leraar of een boek. Dat wat achter de intellectualiteit ligt, noemt Suzuki “leegheid” maar dat is geen leegheid in de zin van “niets” het is een leegheid in de zin van verlichting. Satori geeft ons een blik in een wereld waar we nooit eerder tevoren geweest zijn: het kennen van ons diepste Zelf.
wolken
Prajna paramita is “de wijsheid voorbij alle wijsheid” (zoals behandeld in de college). Er zijn drie stadia aan te wijzen. Ten eerste die van de onwetendheid waarbij het bestaan bevredigend lijkt. Ten tweede die van boeddhistische wijsheid waarbij het bestaan onbevredigend lijkt en vergankelijk. Men ontdekt: er is geen zelf. Maar het derde stadium is die van de prajna: het bestaan is bevredigend noch onbevredigend, vergankelijk noch onvergankelijk; er is een zelf noch geen zelf. Dit ervaren opent het ware prajna oog: dan praat men over alles zonder dat je er in gelooft of er aan vast zit.

Prajna
?Prajna is niet te definiëren als de wil, het intellect of de ziel, maar is een ongrijpbaar fundament in ons zijn. De realiteit van prajna is meer werkelijk dan de zintuiglijke wereld, omdat die op een dag vergaan zal zijn terwijl de prajna blijft. Satori zoals in zen wordt genoemd, is de prajna die in actie is. Het is de geest die als het ware ontwaakt in de mens en zichzelf gaat begrijpen en de zin van het leven. Wanneer wij iets willen begrijpen, proberen we ons een voorstelling te maken van een vorm in ons intellect. Die manier is niet mogelijk om te begrijpen waar het bij satori werkelijk om gaat. Satori opent onze blik op het terrein van de geest, het blijvende, meest innerlijke wezen van ons mens zijn.

Kensho betekent dat men de essentie ziet van wat een mens een mens maakt. Bij kensho is er geen onderscheid tussen object en subject, omdat degene die onderzoekt wat de mens is, zelf mens is. Er zijn niet twee werelden: een onbegrensd en de ander begrensd. Kensho is een ervaring van de geest die niet meer ongedaan kan worden door het intellect. Wanneer men het eenmaal bereikt heeft, houdt men het gedurende de rest van het verdere leven.

Wanneer het satori tot zien komt, dan is er eigenlijk sprake van ‘niets’ zien. Er is geen zelf en er is wel een zelf. Door zen gaat men op zoek naar zichzelf om te ontdekken dat er niets is. De geest moet in die leegte blijven zonder dat het intellect het kan labelen tot iets wat kleiner of minder is dan het werkelijk is. We moeten het verleden laten rusten, want dit vergaat vanzelf in onze herinneringen. De toekomst is er nog niet, dus het heeft ook geen zin ons daar ongerust over te maken. We moeten volkomen tot rust komen in het hier en nu en onszelf los maken van bindingen met het materiële. Dan pas zijn we onvatbaar voor liefde en haat. Alleen dan kunnen we volkomen zien met het prajna oog in de satori ervaring. Wat opvalt in het betoog van Suzuki, zijn de vele verhalen waarbij mensen proberen te grijpen waar het om gaat bij zen, maar “de meester” hen telkens lijkt te moeten teleurstellen: alleen wanneer je zelf een satori ervaring hebt, kun je begrijpen waar het werkelijk om gaat.

De boeddhistische kijk op de structuur van de werkelijkheid
Wat is werkelijkheid? Deze vraag kun je niet met het intellect beantwoorden. Het komt aan op een intuïtief vertrouwen, geloof. Het intellect heeft een eigen agenda om meer te weten over de werkelijkheid als doel op zich. Wat is de reden waarom ik leef? Het intellect verdeelt de antwoorden hierop in stukjes, het geloof brengt dit alles samen tot één geheel. We leven uit het onzichtbare in het intellect: dit is de werkelijkheid, een onderliggend fundamentele bodem.

De vraag naar de zin van het leven is een heel menselijke vraag, maar ook één die je onrust kan bezorgen omdat het met het intellect eigenlijk niet te beantwoorden is. De vraag naar de zin van het leven is verbonden met de vraag naar de ultieme leegwerkelijkheid. Filosofen gaan meestal door middel van de rede op zoek naar de meest objectieve manier om grip op de werkelijkheid te krijgen. Suzuki vraagt zich af of de rede nu de meest aangewezen instrument is om dit doel te bereiken. De werkelijkheid ligt namelijk achter alle dingen. Het is niet met het intellect te doorgronden. Het intellect is niet introspectief, maar kijkt naar de zichtbare wereld om zich heen.

Eén worden
God was in het begin alleen. Dit betekent volgens Suzuki hetzelfde als ‘niets’. Uit niets creëerde God iets. Dus niets was het begin van de wereld in de redenering van Suzuki. De grootste uitdaging voor het intellect is waarom en hoe God een wereld van zowel pijn als vreugde uit niets geschapen heeft. Het verstand kan er geen touw aan vastknopen hoe God uit niets iets maakte. Ook ons hart kan niet accepteren waarom hij ons in een wereld van pijn heeft gezet. Zolang we hier als kritische toeschouwers naar blijven kijken, zullen we hier nooit een antwoord op vinden. Het is niet zozeer het intellect als wel het hart dat nog het meeste van slag raakt door de vraag wat we hier als mensen eigenlijk doen op aarde.

De enige oplossing die Suzuki ziet, is één te worden met atman en de schepping van deze wereld te willen. We moeten terug naar het punt dat de wereld nog niet begonnen was en onszelf in het ‘niets’ verliezen. We moeten zodoende Gods motief aan den lijve ervaren toen hij uitriep: er zij licht! Het intellect zal hier op protesteren: hoe kunnen wij als schepselen nu één worden met God? Het intellect houdt niet op met allerlei onoplosbare vragen te stellen. Daarom moet het een halt toegeroepen worden.

Geloof en intellect
Suzuki vergelijkt het met de uitspraak van Christus die zijn discipelen verwijt geen geloof te hebben. Geloof is vaak het tegengestelde van intellect. Filosofie heeft daarom niets met geloof te maken, aldus Suzuki. Maar filosofie veronderstelt ook geloof, want zonder dat kunnen ideeën niet met elkaar geïntegreerd raken tot een betekenisvolle leer. Omdat het intellect er van uit gaat dat het zelf eindig is, stelt het vraag na vraag. Hierdoor raken we steeds verder verwijderd van het leven uit ons diepste innerlijk. Het intellect komt uiteindelijk tot een impasse wanneer het werkelijk oprecht op zoek is naar de werkelijkheid om er vervolgens achter te komen dat het geloof nodig heeft om inzicht te hebben.

Het kind dat opgroeit, raakt afgesloten van God en timide door de zogenaamde intellectuele ontwikkeling. Het intellect verdeelt alles en zorgt voor onrust tussen mensen, geloof brengt alle stukjes samen en doet ons beseffen dat wij God zijn volgens zen. De schepping is niet een eenmalige gebeurtenis geweest, maar gebeurt elke dag. Wij kunnen ons bewust worden van het feit dat we scheppers zijn in alles wat we doen.

Systeem
Het oog kan zichzelf niet zien en wij kunnen onszelf niet doorgronden op een objectieve manier. We zijn wat we doen. Deze twee zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Het subject en het object zijn niet van elkaar gescheiden zoals bij een objectieve manier van kijken gebeurt. Dit ontstaat door redeneren terwijl we in de wereld opgegroeid zijn en als kind geen onderscheid tussen de twee maakten; we waren één met de wereld om ons heen. Het intellect moet zich realiseren dat alle vragen die het stelt eigenlijk het intellect zelf zijn en niet zozeer de objectieve werkelijkheid. Het intellect wil een systeem uitdenken die de kosmologische basis vormt van menselijke ervaring, maar dit is meer te vinden in het huilen van een baby of door middel van een kunstvorm. Door het denken kan het intellect vervreemd raken van het menselijke leven. Het is prima om te denken en te praten, zegt Suzuki, maar op een gegeven moment moeten we het innerlijke leven ervaren. Tenzij we op dit vlak experimenteren, zullen we nooit tot de realisatie komen. Vele wijze religies hebben geleerd dat het de moeite waard is om je leven hieraan te wijden, dus dan zal er wel een kern van waarheid in zitten, oppert Suzuki. Is het niet sowieso de moeite waard om er mee te experimenteren om te ontdekken of het zo is?

Is het waar wat D.T. Suzuki zegt en hoe kunnen we dat beoordelen?

Deze vraag is op te splitsen in verschillende deelvragen:

Is het waar wat Suzuki zegt over het zenboeddhisme?
Is datgene wat Suzuki zegt over het zenboeddhisme wetenschappelijk verantwoord?
Is het waar wat Suzuki zegt over religie?
Is datgene wat Suzuki zegt over religie wetenschappelijk verantwoord?
Hoe kunnen we beoordelen of religie waar is?
Is de vraag naar waarheid in de context van religie mogelijk?
Is het waar wat Suzuki zegt als ik kijk naar de toepassing ervan in mijn eigen leven?

Suzuki was geen wetenschapper, wat betekent dat hij zich niet binnen de grenzen van de rede wilde ophouden. Om te ontdekken of het waar is wat hij zegt, zou ik dus moeten toepassen wat hij zegt in mijn eigen leven om er achter te komen of het echt zo is. Maar er zijn wel een aantal ‘objectieve’ vragen die zijn onderwijs bij mij oproepen. Volgens Suzuki lijken boeddhisten een rijkere woordenschat te hebben als het gaat om het definiëren van de werkelijkheid. Deze bewering roept bij mij de vraag op of dat echt waar is wat hij hier beweert. Hoe heeft hij dat getoetst?

Volgens het boeddhisme gaat het er niet om God te worden, maar onszelf te realiseren dat we God zijn. Door dit te realiseren kunnen we ook gaan begrijpen of ervaren wat God ertoe bewoog iets te maken uit niets. Dit roept in mijn intellect alweer allerlei vragen op: hoe kunnen we nu weten dat wij God zijn? Is dat niet een onbewijsbare vooraanname? En als we vervolgens vanuit deze aanname gaan mediteren, hoe weten we dan dat wat we gaan ontdekken, waar is? Het antwoord van Suzuki hierop lijkt te zijn dat de mens geschapen is in het beeld van God en dat er dus in ons iets is wat God kan ervaren zoals hij is.

In gesprek met D.T. Suzuki vanuit mijn eigen inzichten en beleving
Wat mij aanspreekt, is dat Suzuki zen op een vrij begrijpelijke manier uitlegt aan mij als westerling zijnde. Aan de ene kant komt de leer van zen mij over als verfrissend voor het persoonlijk leven. Het kan je helpen dichtbij je zelf te leven. Aan de andere kant vraag ik me af of je niet te veel op jezelf gericht raakt wanneer je een zen boeddhist wordt. De mens heeft het nodig om authentiek te zijn, dat onderschrijf ik van harte, maar de mens heeft het ook nodig om zijn blik te richten op de liefde, op de samenleving met andere mensen. Regelmatig merk ik de irritatie bij de meesters binnen het zenboeddhisme door alle verhalen heen, wat bij mij de vraag oproept of zij niet teveel zijn afgestompt van de werkelijkheid van het dagelijkse leven. In hoeverre is zen een solidaire religie ten opzichte van de medemens? Vraagt het zenboeddhisme niet teveel opoffering van het zelf aan een religie terwijl de mens zoveel meer potenties heeft dan alleen mediteren?

Een andere vraag die bij me opkwam terwijl ik D.T. Suzuki bestudeerde, was of er wel genoeg ruimte is voor kritiek binnen het zenboeddhisme. De vraag van Nangaku Ejo bijvoorbeeld komt op mij over als een oprechte vraag te weten wat de drijfveren waren van Bodhidharma om van India naar China te gaan. Deze vraag wordt dan teruggekoppeld naar zijn eigen leven: hij moet niet de vraag stellen naar de drijfveren of de gedachten van Bodhidharma, maar naar zijn eigen gedachten. Suzuki vond dat Ejo “a stupid question” stelde, toen hij vroeg: “What is my own mind?” Het lijkt wel of de leerling voor “stom” versleten wordt, terwijl hij oprechte vragen stelt. Dit komt ook naar voren in het verhaal van Daishu en Baso wanneer laatstgenoemde uitroept: “how stupid you are!”

?Boeddhist worden
Ook al vind ik de inzichten van het zenboeddhisme verrijkend, ik zie voor mezelf geen noodzaak een boeddhist te worden. Het lijkt wel een soort identiteit die je dan aanneemt en dat lijkt haaks te staan op de leer van zen dat je vrij moet komen van alle labels die op het zelf geplakt worden. Als je dus de leer van zen ter harte neemt, dan wordt je geen zen boeddhist? Maar volgens mij is dat ook niet wat Suzuki beoogt met zijn tekst. Het gaat hem er meer om de essentie van zen over te brengen.

Filosofen proberen alles objectief te definiëren, maar juist dat leidt er toe dat ze het nooit begrijpen, beweert Suzuki. We moeten één worden met datgene dat we bestuderen, dan pas kunnen we de ultieme werkelijkheid begrijpen. Dit laatste strookt met de opvatting van ervaring of empirie binnen de Aristotelische filosofie: je kunt alleen door ervaring de werkelijkheid begrijpen. Ik vraag me dus af of Suzuki in zijn betoog ten volle recht doet aan de filosofie.

Het idee dat wij God zijn, brengt Suzuki op een overtuigende manier zelfs aan de hand van de bijbel. Toch roept dit vragen op, want toen Adam en Eva van de boom aten, werden zij verleid met de gedachte dat zij “als God zouden zijn, kennende goed en kwaad”. Hier spreekt Suzuki niet over wanneer hij Adam en Eva behandelt. Is dit niet één van de grootste bezwaren van het joods-christelijke geloof: dat boeddhisme beweert dat wij als God zijn? Hoe kan dit bezwaar overwonnen worden?

De betekenis van D.T. Suzuki’s inzichten voor mijn persoonlijke leven
Zen is verfrissend in een wetenschappelijke wereld als de universiteit waar alles lijkt te gaan om het objectief kennen van de werkelijkheid. Wie ben ik? Een fascinerende vraag. Wat is het Ik? Wie ben ik? Alleen het antwoord dat uit jezelf komt, is bevredigend; niet het antwoord van een leraar of een boek. Dat vind ik intrigerend: hoe vaak laten we ons niet labelen door mensen om ons heen?

De betekenis van de inzichten van D.T. Suzuki zou ik in één woord als verfrissend willen duiden. Het helpt om zowel eigen ideeën als wetenschappelijke inzichten te relativeren. De labels die mensen op je kunnen leggen gedurende het leven, zijn wellicht groter dan dat iemand zich op een gegeven moment van bewust is. Dat kan er misschien insluipen. zen kan hierbij helpen iemand vrij te komen van verkeerde overtuigingen ten opzichte van zichzelf. Het zelf reinigen van zijn egocentrische zelfopvattingen. Dat lijkt me een prima startmotief voor persoonlijke trainingen en bezinning binnen de uitoefening van je werk.

We moeten volkomen tot rust komen in het hier en nu en onszelf los maken van bindingen met het materiële. Dan pas zijn we onvatbaar voor liefde en haat, zegt zen. Dit staat voor mij haaks op hoe een menselijke samenleving is: je geeft jezelf aan je gezin, de mensen om je heen enzovoorts, omdat dit bij ons mens zijn hoort. Het leven moet geleefd worden. Ik vraag me dan ook af of zen je niet afstompt van het samenleven met andere mensen. Dit is voor mij een groot vraagpunt.

Het idee dat het zelf gereinigd wordt van allerlei egocentrische opvattingen, is verrijkend, juist in een westerse wereld waar status, succes en materie belangrijk worden gevonden. Halverwege het leven vraagt men zich af of je werkelijk geslaagd bent. Het zen denken kan dan een constructieve bijdrage leveren te beseffen wie je ten diepste werkelijk bent en je zelf los te maken van aardse drijfveren. Dat is een waardevol iets, vind ik.