bodhi_vukeleku_2009-960×370-19

VU week: het zelf en de ander


Het is weer VU week bij Bodhitv! Iedere dag publiceren we artikelen die VU-studenten schreven ter afsluiting van het college Oosterse filosofie. VU studente Eveline Boter probeert aan de hand van het werk van Japans filosoof Masao Abe het oosterse denken te ontrafelen.

Voor vele westerlingen is het oosterse denken een mysterie. Om deze rede zijn een aantal oosterse filosofen en denkers de dialoog aangegaan met het Westen. Dit om de oosterse traditie begrijpelijk te maken voor westerlingen, maar ook om aan te tonen dat beide denktradities ook gemeenschappelijke grond kennen. Zo ook Abe Masao, hij heeft zich in zijn carrière veel gericht op het Westen. Hij werd ook wel een ambassadeur van de Kyoto school genoemd. Abe trachtte de zenleer uit te leggen door een vergelijk te maken met het christendom, waarbij hij de overeenkomsten en verschillen tussen deze twee zocht.
In deze paper zal ik drie artikelen van Abe Masao bespreken: Man and nature in Christianity and Buddhism, Emptiness as Suchness en God Emptiness and the true self. Vervolgenszal ik enkele kritiekpunten op Abe’s filosofie geven. Ten slotte zal ik reflecteren wat Abe’sfilosofie betekent voor mijn persoonlijke leven.

Abe Masao: een bespreking van drie artikelen
In dit hoofdstuk zal ik drie artikelen van Abe Masao kort, en soms selectief, weergeven. De artikelen zijn thematisch met elkaar verbonden. Man and Nature in Christianity and Buddhism gaat voornamelijk over het verschil tussen het christendom en het boeddhisme. In het artikel Emptiness as Suchness wordt dieper ingegaan op de ware betekenis van het begrip sunyata. Ten slotte wordt in het derde artikel, God, Emptiness and the True self, uitgelegd waarom zen boeddhisten de scheiding tussen het heilige en het seculiere afwijzen, en wat zij verstaan onder nirvana.

manDe positie van de mens en natuur in het boeddhisme en hetchristendom
In zijn artikel Man and Nature in Christianity and Buddhism vergelijkt Abe Masao het christendom en het boeddhisme. Het christendom kent een duidelijk antropocentrisch wereldbeeld. God heeft de mens in zijn gelijkenis geschapen, en hem daarmee een speciale plek en functie in de wereld gegeven. God blessed them and said to them, ‘Be fruitful and increase in number; fill the earth and subdue it. Rule over the fish in the sea and the birds in the sky and ove revery living creature that moves on the ground.’ (Genesis 1:28)

In deze bijbelpassage wordt.duidelijk dat de mens in het christendom een hogere functie heeft dan de dieren en planten. De mens wordt aangesteld als rentmeester over de aarde, om deze te beschermen en er over te heersen. De personalisatie van God als mens versterkt het beeld van het christendom als antropocentrische religie. Het boeddhisme is volgens Abe niet antropocentrisch, maar kosmocentrisch. In het boeddhisme draait het erom samsara, de eeuwige cirkel van leven en dood, te doorbreken.

?Jinen
Deze cirkel kun je slechts doorbreken door verlicht te raken, en daarmee nirvana te bereiken. Verlichting is niet iets dat uitsluitend voor mensen mogelijk of nodig is, samsara is het probleem van de gehele levende dimensie op aarde, en dus ook van dieren en planten. Naast het overstijgen van het verschil tussen soorten, gaat de boeddhist nog verder door ook het onderscheid tussen levende en niet levende wezens te overstijgen. In dit begrip ligt de voorwaarde voor het ontsnappen uit samsara. Om werkelijk verligt te raken, moet samsara niet slechts als cirkel van leven en dood gezien worden, maar vooral als een cirkel van verschijning en verdwijning.

Deze eigenschap hebben alle wezens namelijk gemeenschappelijk. De realisatie vaneen gemeenschappelijke vergankelijkheid, leidt volgens Abe tot een sterk gevoel van solidariteit tussen mens en natuur. De dimensie van jinen, natuurlijkheid of natuurlijke spontaniteit, opent zich, en mens en natuur zijn hierin gelijk verlicht en onthullen zich in hun eigen natuur. Abe quote, om het punt van solidartiteit te verhelderen, zichzelf: ‘Indeed, unless all the trees and herbs and lands attain Buddhahood together with me, I shall not have attained Buddhahood in the true sense of the word’.Tegenover het christelijk antropocentrische wereldbeeld, plaatst Abe hier het boeddhistische kosmocentrische wereldbeeld. Hierbij wordt ook duidelijk dat in het christendom de mens en natuur fundamenteel gescheiden zijn, terwijl van deze scheiding in het boeddhisme geen sprake is.

?God en Christus
Dit alles wil niet zeggen dat het individu niet meer belangrijk is, in tegendeel zelfs. Zonder het zelfbewustzijn van de mens is het onmogelijk uit te stijgen boven de dimensie van de mens tot de dimensie van het wezen. Alleen de mens kan zich van de vergankelijkheid in de wereld bewustzijn. Bovendien is het probleem van jinen uiteindelijk een probleem dat het subject zelf moet oplossen. Ook is het niet zo dat het boeddhisme in zijn geheel niet antropocentrisch is, zoals Abezelf aangeeft. Hij quote het mahayanistische vers The Threefold Refuge, waarin het geluk als mens te leven, de dankbaarheid voor de boeddhistische leer en de realisatie de mens verplicht is tot zijn boeddhanatuur te ontwaken. Hij kan hier echter alleen toe komen door zijn ego te doen sterven. ‘Buddhist salvation is thus nothing other than an awakening to reality through the death of the ego, i.e., the existential realization of the transiency common to all things in the universe, seeing the universe really as it is.’. Dit is wat de boeddhanatuur genoemd wordt, deze realisatie van universele vergankelijkheid waarin alles zich onthult volgens zijn ware natuur, en waarin men niet meer denkt in termen van dualiteit.

Naast dit verschil tussen antropocentrisme en overwegend kosmocentrisme, behandelt Abe het verschil tussen de opvattingen over de betekenis van de dood en persoonlijk invloed op verlossing van het christendom en het boeddhisme. Abe stelt dat verlossing zowel in het boeddhisme als in het christendom draait om de dood van het ego. Voor de christen betekent het dat de ‘oude’ man sterft, en de ‘nieuwe’ man geboren wordt in de redder Jezus Christus. De christen heeft eigenlijk zelf geen enkele invloed op zijn verlossing. Hij is volledig overgegeven aan de Genade van God. Doordat de eerste mensen gezondigd hebben in het paradijs, zijn alle mensen vanaf hun geboorte belast met de erfzonde. Abe stelt dat de dood een resultaat is van deze zonde. Verlossing is niet te bereiken door bijvoorbeeld goede werken te verrichten, maar hangt in zijn geheel af van de genade van God. De mens heeft in het christendom een absolute verticale relatie met het goddelijke, zoals Abe het noemt, waarin God en Christus superieur zijn aan het menselijk subject.

?handen Boeddhanatuur
In het boeddhisme is de dood echter slechts een moment waarin de vergankelijk van al dat bestaat tot uiting komt, en niet het resultaat van zonde. De mens is geen verantwoording schuldig aan een transcendente goddelijkheid, omdat deze er niet is. In het christendom wordt God als transcendente, superieure en bovennatuurlijke kracht gezien. Deze opvatting staat lijnrecht tegenover de boeddhistische opvattingen hierover. Abe stelt dat ieder wezen de boeddhanatuur in zich draagt, deze moet slechts gerealiseerd worden. Om dit te doen heeft de boeddhist, anders dan in het christendom, geen bemiddelaar nodig. Hij kan op zijn eigenkracht in contact komen met zijn innerlijke Boeddha.

Deze boeddhanatuur heeft niets te maken met een transcendente, superieure of bovennatuurlijke kracht. Het natuurlijke domein is het enige domein dat er is, de boeddhanatuur is dus ook iets natuurlijks dat reeds in ieder wezen in potentieaanwezig is. Toch noemt Abe dit geen immanente goddelijkheid, want dat zou betekenen dat er een scheiding bestaat tussen het heilige en seculiere, een onderscheid dat Abe niet maakt. Uiteindelijk is het grootste verschil dat Abe opmerkt, dat de ‘richting’ of ‘locatie’ van transcendentie in het christendom en boeddhisme verschillen. Het christendom transcendeert de man en de natuur in God, een bovennatuurlijke kracht. Het boeddhisme transcendeert de mens en natuur in de richting van jinen, ofwel de boeddhanatuur. De grote overeenkomst is de nadruk op het belang van de dood van het ego, en de realisatie van de nieuwe man.

De ware betekenis van sunyata
In het boeddhisme staat het begrip sunyata, ofwel leegte, centraal. Abe Masao stelt dit begrip gelijk aan de begrippen boeddhanatuur en suchness. In zijn artikel Emptiness is Suchness stelt hij dat deze term moeilijk te omvatten is voor de westerling, en verwoordt het daarom op een manier die hij begrijpelijker acht: ‘I think that ‘’everything is empty’’ may be more adequatly rendered in this way:‘’Everything is just as it is.’’’

Alles is zoals het is. Alles is verschillend en uniek, en zolang er wordt vastgehouden aan deze uniciteit, zijn de dingen vrij van conflict in zichzelf. Een hond of een dennenboom heeft geen gevoelens van minder- of meerderwaardigheid over anderen. Honden en dennenbomen zijn gewoon, ze zijn volgens hun natuur. Het feit dat mensen zelfbewustzijn bezitten,maakt dat zij niet volgens deze natuurlijke weg kunnen leven. Zij zijn altijd bezig met zichzelf bekijken door de ogen van een buitenstaander, en op deze wijze zien ze zichzelf immer in relatie tot de ander, in termen van minder- of meerderwaardig. Dit zorgt ervoor dat wij niet geheel onszelf zijn: ’Allthough we are ‘’self’’ we are not really ‘’self’’, because it is from the outside that we look at ourselves’

?Goed en slecht
Dit is het essentiële verschil tussen mensen en dieren en planten, de laatste twee kijken niet naar zichzelf van buiten zichzelf. Zij leven volgens hun suchness, en mensen niet. Als wij de vraag stellen naar wat wij zijn, zoeken wij buiten onszelf. Zoals Yajnadatta, een knappe man, de op een dag in de spiegel keek en dacht dat hij zijn hoofd kwijt was. Hij ging overal zoeken, en kwam er uiteindelijk achter dat zijn hoofd gewoon op zijn romp zat, maar dat hij naar de achterkant van de spiegel had gekeken. Het punt is hier, dat hetgeen dat zoekt hetzelfde is als hetgeen gezocht wordt. Het heeft geen zin om buiten onszelf naar onszelf te zoeken.

Abe vergelijkt de christelijke term ‘goed’ met het boeddhistische suchness. Hierbij bedoelt hij de term ‘goed’ zoals gebruikt in Genesis, wanneer goed naar zijn creatie kijkt en ziet dat deze ‘goed’ is. Volgens Abe wordt hiermee niet alleen een ethische goedheid bedoelt, maar vooral een ontologische goedheid. Het is goed zoals het is, omdat het is zoals het is. Door het eten van het fruit is de mens in dualiteiten van bijvoorbeeld ‘goed’ en ‘slecht’ gaan denken. Ook zijn wij door dit zelfbewustzijn het onderscheid gaan maken tussen onszelf en de ander.

Deze manier van denken is niet de ‘goede’ manier. We moeten weer terug naar het moment van voor de mens van de vruchten at, naar het moment dat de mens nog geen zelfbewustzijn bezat. Het christendom probeert dit te bereiken door zich te herenigen met Jezus Christus door zijn genade. Volgens de boeddhist moet men ontwaken tot de leegte, de sunyata, door het ego te laten sterven. Net als de dennenboom of de hond moeten wij leven volgens onze suchness ,en niet proberen om onszelf van buitenaf te vatten. Abe gebruikt de metafoor van de slang die in zijn eigen staart bijt: ‘When the snake bites its tail, it makes a circle. And the more it tries to swallow its tail, the smaller the circle becomes. When the snake carries this effort to swallow his tail to its final conclusion, the circle turns into a small dot, until finally it must disappear into emptiness’.

God, leegte en het ware zelf
In het zenboeddhisme komen er nauwelijks afbeeldingen van de Boeddha voor, ook wordt de Boeddha niet aanbeden. Verzen zoals de volgende, van Lin-chi lu, zijn niet ongebruikelijk:

Encountering a Buddha, killing the Buddha;
Encountering a Patriarch, killing the Patriarch;
Encountering an Arhat, killing the Arhat;
Encountering mother or father, killing mother or father;
Encountering a relative, killing the relative,
Only thus does one attain liberation and disentanglement
From all things, thereby becoming completely unfettered and free

In het artikel God, Emptiness and the True Self legt Abe Masao uit waar deze houding tegenover Buddha’s vandaan komt. Om tot ware verlichting te komen, moet men afzien van zijn wereldlijke leven, en uitstijgen boven de realiteit. Dat betekent dat men ook moet uitstijgen boven transcendente religieuze zaken, zoals Boeddha’s. Als we geloven in de Boeddha, wordt deze geobjectiveerd, en een geobjectiveerde Boeddha brengt ons niet dichter bij de Ultieme Realiteit.
mens
Zoals al eerder gezegd is het doel van het boeddhisme om samsara te doorbreken, en nirvana te bereiken. Je kunt echter alleen geheel verlicht raken als je ook afziet van de dualiteit van samsara en nirvana, en het heilige en het seculiere. Het bodhisattva ideaal houdt dan ook in dat je niet alleen met je eigen verlossing bezig bent, maar anderen, die nog gebonden zijn aan deze dualiteiten, helpt om verlossing te realiseren. Abe legt uit wat verlossing in het mahayanaboeddhisme inhoudt:

‘Therefore, nirvana in the mahayana sense,while transcending samsara, is simply the realization of samsara as really samsara, no more, no less, by a thoroughgoing return to samsara itself.’

Nirvana is hierbij de ultieme realiteit, het zien van de wereld zoals hij echt is. Je ziet de wereld, in zijn suchness.

De essentie van zen ligt volgens Abe dan ook in de identificatie met sunyata, en niet met het heilige, zoals in het christendom. Deze sunyata overstijgt de dualiteit van het heilige en seculiere, en is tegelijkertijd zowel heilig als seculier. Deze twee zijn paradoxaal identiek, zij komen samen in een dynamisch geheel, waarbuiten niets is. Ook ik en jij staan altijd in dit geheel, er is geen manier om buiten dit geheel te komen.

Waarheidsvraag
Er valt veel te zeggen over Abe Masao’s filosofie. Er vallen vele vraagtekens te plaatsen en kritiekpunten te leveren, maar omwille van de ruimte die hiervoor staat, zal ik mij in mijn kritiek beperken tot enkele punten. Ten eerste is de term suchness een onduidelijk term en ook Abe’s gebruik ervan roept vragen op. Zoals gezegd bedoelt Abe als hij het heeft over de suchness van een object, de natuurlijke aard van het beestje, het pure zijn volgens de eigen natuur. Hij stelt dat de mens niet volgens deze suchness leeft, omdat hij zichzelf van buitenaf probeert te begrijpen en beoordeelt. Deze houding van de mens stelt hij tegenover de houding van dieren en planten, die wel volgens hun suchness leven. Daarbij vooronderstelt hij dus, dat dieren en planten zichzelf zien vanuit zichzelf, en niet vanuit de ander, zij zijn gewoon puur wat ze zijn. De vraag is hoe Abe dit kan weten, en of deze vooronderstelling überhaupt stand houdt. Mensen vergelijken zichzelf constant met elkaar, en zien zichzelf door de ogen van de ander, waardoor zij denken in termen als ‘ik ben beter’ of ‘ik ben slechter’ dan de ander.

Anders dan Abe beweert, kennen dieren eenzelfde soort tendens. Laten we als voorbeeld een gorillastam nemen. In de eerste plaats kent een gorillastam een sterke vorm van hiërarchie. Het stamhoofd is de baas, krijgt de beste vrouwtjes en het beste eten. De andere mannetjes in de stam zien zichzelf in relatie tot dit stamhoofd als zijn mindere. Ten tweede zijn deze apen, net als mensen, geneigd tot imitatiegedrag. De kleine apen leren van hun moeders hoe zij bijvoorbeeld voedsel moet vergaren, of hoe zij in bomen moet klimmen, waardoor zijuiteindelijk een levenswijze aanhouden die hun soort normaal acht. Als een gorilla een standje krijgt, omdat hij bijvoorbeeld het stamhoofd beledigd heeft, zondert hij zich af en beseft dat hij iets verkeerds heeft gedaan. Al deze zaken zijn zaken die gelden voor beoordeling in relatie tot de ander, en niet tot het zelf.

?De suchness van de gorilla
Abe zou hier op kunnen antwoorden dat apen dit weliswaar doen, maar dat zij de termen hiërarchie of normaal niet kennen of gebruiken. De termen hiërarchie en normaal zijn echter puur talige omschrijvingen van een sociaal fenomeen. Het feit dat de apen het linguïstische aspect ervan niet kennen, wil nog niet zeggen dat zij wat het woord omschrijft niet kunnen uitvoeren. Abe zou ook kunnen zeggen dat mijn omschrijving van de manier van handelen uiteindelijk een menselijke projectie is, begrepen vanuit een positie van een wezen dat bewustzijn, schaamte en intersubjectieve vergelijking kent. Wat ik beschrijf is in wezen de natuurlijke suchness van de gorilla.

Ik zou hierop antwoorden met de vraag wat dan werkelijk de suchness van een wezen bepaalt. Waarom kan de suchness van de mens niet evengoed bestaan uit een proces van zelfreflectie in relatie tot de ander? Misschien bestaat de suchness van een mens wel in dit zelfbewuste vergelijkende aspect, zoals de suchness van een plant bestaat in het groeien, bloeien en gewoon zijn. De natuurlijke neiging en het natuurlijke zijn van de mens zou dan dus juist hierin bestaan,dat zijn uitgangspunt in het leven de genoemde intersubjectieve vergelijking is, en dus daarmee volgens zijn natuur leeft. Los van de vraag naar wat de suchness van de mens in werkelijkheid is, is daar de beoordeling hierover van Abe, wat mij brengt tot een tweede kritiekpunt. Abe heeft het in het artikel‘’Emptiness as suchness’’ over de schepping van de christelijke God. Hierbij verstaat Abe de term ‘goed’ die in de Bijbel gebruikt wordt om over deze creatie te spreken als een ontologische goedheid, en niet slechts een ethische goedheid. Zoals hij het schiep was het goed. Zo ook de mens, die volgens Abe in zijn suchness geschapen was, maar deze verloor toen Eva van het fruit at.

?Het dualisme omzeilen
Deze vergelijking met het christendom is, ook als hij allegorisch gebruikt is, vreemd uit de mond van een boeddhist. Dit omdat het spreekt van een schepper met een intentie voor de wereld,iets wat het boeddhisme niet kent. Los van dit feit gaat spreken over een ontologische goedheid in tegen Abe’s anti-dualistische opvattingen, waarin men niet moet spreken over goed en slecht, maar dit dualisme moet transcenderen. Als je spreekt over een wereld die ontologisch goed kan zijn, impliceert dit dat er ook een wereld kan zijn die ontologisch slecht is.

Abe zou hier tegenin kunnen brengen dat ik, en wellicht hijzelf ook, nog niet voldoende getranscendeerd zijn om niet in deze termen te denken. In de absolute transcendentie is er dan geen sprake meer van ‘goed’ of ‘slecht’. Echter, het feit dat Abe spreekt van een manier waarop de dingen horen te zijn, impliceert wel degelijk een normerend aspect. De dingen horen op een bepaalde manier te zijn, als dit het geval is, is het goed, als het niet zo is, is het slecht. Daarom is dualisme iets dat niet zomaar te omzeilen is puur door te stellen dat het eigenlijk niet bestaat.

De betekenis van Abe’s werk voor mijn persoonlijke leven
Het idee van solidariteit met alles wat leeft spreekt mij heel erg aan. Wij leven in een tijd van overwegend individualisme, waarin een meer altruïstische levensstijl geen overbodige luxe zou zijn. In dit opzicht denk ik dat het Westen heel wat van het oosten kan leren. Zoals ik al in deinleiding zei, is het solidariteitsprincipe van het boeddhisme een ethische consequentie van een ontologische overtuiging. In de communicatie tussen religies en andere levenswijzen, is het belangrijk om deze twee zaken uit elkaar te houden. We moeten kijken wat we op ethisch vlak van elkaar kunnen leer, in plaats van ons af te scheiden van een levensovertuiging of religie omdat deze niet overeenkomt met onze eigen ontologische opvattingen. Anders dan Abe voel ik mij niet solidaire met ongeanimeerde objecten, zoals kopjes of plantenbakken.

Wel voel ik een sterke solidariteit met mijn medemens, het dier en de natuur. Zoals Abe zegt, is er geen scheiding tussen mens en natuur, in werkelijkheid zijn zij een. Het is een heel erg westers ding om daar onderscheid tussen te maken. In het Mahayana boeddhisme bestaat de mooie vergelijking van de aarde als lichaam, waar wij allen deel van uit maken. Zo natuurlijk als het is om een pleister op je teen te plakken als deze bloedt, wordt het om een dier in nood te redden als men dit ziet. Je beschouwt dit dier immers ook als deel van je eigen lichaam. De mens is een deel van de wereld geworden, dat denkt belangrijker te zijn dan de rest. Daarmee plaatst hij zichzelf boven de dieren en de natuur, en wordt hiermee een ongeoorloofd dominant diersoort. Dit is de rol van de mens zoals het christendom heeft ingevuld. Dit terwijl het Abe Masao de mens weliswaar een speciale positie geeft door zijn bezit van de ratio, maar hem daarmee niet boven of buiten de natuur plaatst. Het plaatst hem daarentegen middenin de natuur,en geeft aan hem de taak om niet te zorgen dat alleen hijzelf verlicht raakt, maar met hem de gehele kosmos. Het boeddhisme leert ons hiermee een respectvolle, altruïstische, meevoelende houding ten opzichte van elkaar, de dieren en de natuur.

Conclusie
Al met al kan ik stellen dat Abe Masao’s filosofie een aantal grote ethische consequenties kent, waar het Westen wat van kan leren. De universele solidariteit die hij beschrijft, leidt tot een altruïstische levensstijl. Er zijn echter ook een aantal vraagtekens te plaatsen bij Abe’s filosofie. Ik heb twee kritiekpunten genoemd: de onduidelijkheid rond de term suchness, en de mogelijkheid tot het afwijzen van het dualistische goed en kwaad. Toch vind ik de ethiek die vervlochten is in Abe’s werk belangrijker dan zijn ontologische beweringen. Ik denk dat dit het deel is waarin het meeste te leren valt van het Oosten.