vliegtuig

Ben ik: A) mijn levensverhaal of B) niets?

Floor vloog naar de overkant van de oceaan, en vreesde daar een ander mens te zijn. Wat blijft er over na een dramatische twist in je levensverhaal?

Wie ben je als niemand je kent? Volgens de narratieve psychologie vormen we onze identiteit doordat we het leven zien als een verhaal. Met ons unieke levensverhaal, dat zijn eigen thema’s, hoofdpersonen en doel heeft, geven we ons leven zin. Maar volgens het boeddhisme is zo’n narratief niet te ontdekken: identiteit is een mythe. Floor denkt erover na op een sleutelmoment in haar eigen leven: zomer 2009, het douanepoortje op Schiphol, en wat daarachter ligt.

Met trillende benen en zweethanden loop ik naar de incheckbalie op Schiphol. De gele duffel drukt zwaar op mijn schouders. Alles wat ik nodig heb zit erin: tent, slaapzak, EHBO-kit, kleding, leesvoer, adressenboekje. Ik moet een paar keer slikken als ik de nauwe doorgang bij de douane zie, die in mijn verbeelding verdacht veel begint te lijken op de met rook omgeven deur van de miniplaybackshow. Als ik daar doorheen loop, verlies ik iets heel belangrijks: mezelf.

Want wie ben ik, ergens boven de oceaan tussen Europa en Amerika, tussen onbekenden in het vliegtuig en niemand die op me wacht daar in de Rocky Mountains? Als ik in een ravijn stort zal niemand alarm slaan en zal ik eenzaam sterven of worden verslonden door wolven. Ben ik dan nog wel ik? Of ben ik dan een nobody, een betekenisloos lichaam?

Door het douanepoortje lopen voelt als neerstorten in een afgrond, als een vrije val aan het begin van een droom maar dan zonder de schok die je wakker laat schrikken. Het is de zomer van 2009 en voor het eerst ga ik in mijn eentje naar een ander werelddeel.

Wie ben ik?
In boeddhistisch onderricht wordt regelmatig de vraag gesteld: wie is die ‘ik’? In dit geval: wie is de ‘ik’ die zo bang is zichzelf kwijt te raken? En wat raakt de ‘ik’ kwijt als zij ‘zichzelf’ kwijtraakt?

Vlak voor de vliegreis besefte ik hoezeer mijn identiteit verbonden is met de mensen om mij heen. Mensen die mijn naam kennen, die weten waar ik vandaan kom, wat mijn karaktereigenschappen zijn, wat ik heb meegemaakt. Er blijkt een verhaal over mij te bestaan met mij als hoofdpersonage, enkele belangrijke tegenspelers, bepalende gebeurtenissen in mijn leven, mijn droom en mijn grootste angst. Dat verhaal, dat eventueel verfilmd kan worden als ‘Misery and Joy: The Story of My Life’, zit in mijn hoofd en in de hoofden van de mensen die mij kennen.

In een vreemd land waar niemand mij kent, ben ik een voorbijganger, een toerist, een vrouw, een Nederlandse. Gewoon een mens. Wie wil er nou gewoon een mens zijn, oftewel een inwisselbare figuur? Je wilt bijzonder zijn en dat voor iemand die speciaal voor jou is. Jouw unieke levensverhaal maakt dat je niet inwisselbaar bent voor iemand anders.

Ik = mijn verhaal
In de moderne wereld staat identiteit gelijk aan een levensverhaal. Dat stelt Dan McAdams, professor in de psychologie, in The stories we live by. Het levensverhaal is volgens de narratieve psychologie een persoonlijke mythe om je leven van eenheid of doel te voorzien en om een betekenisvolle plek in de psychosociale wereld in te nemen. Het goede leven wordt gerechtvaardigd door het goede verhaal met zijn eigen verteltoon, persoonlijke verbeeldingskracht, thematische lijnen, ideologische setting, sleutelscènes, conflicterende hoofdpersonen en een anticiperen op een mogelijk slot.

Het verhaal is niet in één keer af: je blijft herschrijven, zodat het narratief steeds weer de essentiële waarheden over jezelf laat zien. Op het moment dat ik een nieuwe eigenschap van mezelf ontdek, bijvoorbeeld angst om alleen te reizen, dan moet ik dat op de één of andere manier inpassen in mijn levensverhaal.

Jezelf kennen, jezelf vergeten
Volgens boeddhistische leringen kan identiteit, hier gelijkgesteld met het levensverhaal, veel lijden opleveren. Iedereen heeft een identiteit, Gautama Boeddha niet uitgezonderd. Het misverstand waar de Boeddha op wijst is dat je identiteit vast zou staan, terwijl het juist voortdurend verandert. We klampen ons met alle macht vast aan onze beperkte identiteit, ons kleine ik, en ervaren pijn als we dingen verliezen en er daardoor van overtuigd zijn dat we onszelf zijn verloren.

Het doel van meditatie is de natuur van de geest of de natuur van de realiteit te leren kennen. Zo is er een meditatieoefening in de Tibetaanse Dzogchentraditie waarin je naar je probleem kijkt, steeds dieper en dieper, totdat je ziet dat het leeg is, dat er geen probleem is. Vervolgens kijk je naar degene die naar dat probleem kijkt, steeds dieper en dieper, totdat je ziet dat er niemand is, dat je niets bent. In essentie ben je leeg en wakker. Zenmeester Dogen Zenji: “To know the self is to forget the self. To forget the self is to be enlightened by the ten thousand things.”

Meditatie kan je helpen uit de houdgreep van je identiteit te komen. Eenmaal uit die houdgreep kun je jezelf uitdrukken als iets ruimers dan je gefixeerde identiteit. Schrijfster en zenboeddhist Natalie Goldberg stelt dat schrijven je wakker kan maken. Voor mij is het schrijven van verhalen een manier om de vastgeroeste ideeën over mezelf en de wereld te leren kennen en om nieuwe versies van mijn levensverhaal te ontdekken en dus ook een ruimere identiteit. Ik houd van reizen, van het onderweg zijn, nieuwe landen en culturen ontdekken en toch ben ik er bang voor: hoe kan ik die twee ervaringen met elkaar rijmen?

De duizelingwekkende diepte van het ravijn
Terug naar het moment van ‘de grote en beangstigende vliegreis’: een sleutelscène in mijn levensverhaal. Toen ik eenmaal de poort van de douane door was, verdween de grond – geheel tegen mijn verwachting in – niet onder mijn voeten. Dat ik mezelf kwijt zou zijn, viel dus wel mee. Ik voelde me bevrijd en zag door het raampje hoe Nederland steeds kleiner werd en verdween. Eenmaal in de Verenigde Staten ging er van alles mis. Mijn telefoon deed het niet, ik belandde in een leeg hotel met een dronken hotelbaas en kreeg de volgende dag maar geen lift. Omdat ik niets anders kon verzinnen, ging ik voor het hotel op een rotsblok zitten en genoot van de zon op mijn huid en het weidse uitzicht. Uren later stapte er een vrouw uit haar auto en vroeg: ‘Darling, do you need a ride?’. Ze liet mij het hele dorp zien, stelde me aan de lokale rare snuiters voor en bracht me naar een gezellig druk eettentje. Dat we een uur later op een steile helling reden die steiler was dan de motor aankon en we bijna het ravijn in stortten… dat is weer een ander verhaal.