hoofdwolk_headerkopie

Bla bla bla of belichaamde taal

Floor vindt herkenning bij schrijver Tim Parks. Net als zij is hij een echte denker, en niet zo bezig met het lichamelijke. Tot hij ziek wordt, en Vipassana-meditatie gaat doen.

Floor is een denker en een dromer, ze zit altijd in haar hoofd. Door haar werk als geestelijk verzorger in een ziekenhuis kwam ze weer meer met het lichamelijke in contact. Dat meditatie daar ook bij kan helpen, ontdekt ook schrijver Tim Parks, bij wie Floor herkenning vindt.

Tijdens mijn eerste meditatieweekend voelde ik ineens heel bewust mijn benen en de grond waarop ik zat. Die ervaring deelde ik met trillende stem mee aan de leraar en de honderdkoppige groep: “I felt my legs!” Je zult misschien denken: Hoera, gefeliciteerd, maar het is toch logisch dat je benen hebt en dat je die voelt!?

Toch lijkt het of je je vooral bewust bent van je lichaam als je pijn hebt of ziek bent. Pas toen ik op mijn elfde mijn enkel brak in een spelletje apenkooien, besefte ik dat ik tot dat moment beide voeten op de grond kon zetten en pijnloos lopen, zitten en springen. In plaats van me druk te maken over mijn huiswerk of een ruzie met mijn moeder, vroeg ik me af hoe ik van mijn tafeltje naar de boekenkast kon komen.

Door ziekte met je neus op de feiten
In het ziekenhuis, aan het werk als geestelijk verzorger, werd ik weer met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik ben van nature een dromer en een denker en daarom lag de keuze om geestelijke verzorging te studeren meer voor de hand dan verpleegkunde of geneeskunde. In de master geestelijke begeleiding leer je met mensen te praten over zingeving: wat is belangrijk in je leven en hoe kun je je leven zo vormgeven dat je leeft naar je waarden, normen en overtuigingen? Ook als je lichamelijk of geestelijk ziek bent, in de gevangenis zit of als militair in een oorlogsgebied bent.

Je kunt rollenspelen doen zoveel je wilt, maar met iemand in gesprek zijn die plotseling moet overgeven of zich om de haverklap naar de wc moet haasten, kun je niet oefenen in een klaslokaal. Zo dicht bij iemand zijn die fysiek afziet, is een andere vorm van nabijheid. In de loop van mijn stage ging ik me meer bezighouden met meditatie, wat mij hielp om meer aanwezig te zijn, om uit mijn hoofd te komen en meer in mijn lichaam te zijn.

Als je patiënten in een ziekenhuis vraagt hoe het met hen gaat, vertellen zij vaak in eerste instantie over de pijn die zij ervaren, wat hun bloedwaarden zijn, wanneer zij verwachten weer van het infuus af te mogen. In een ziekenhuis gaat alle aandacht naar het lichaam. Als je mensen op een verjaardagsfeestje vraagt naar hoe het met hen gaat, zul je niet snel horen: ‘Ik voel me misselijk en vanochtend was mijn ontlasting wat aan de dunne kant.’ De intimiteiten van ons lichaam houden we zoveel mogelijk voor ons. Als we ons er al bewust van zijn.    

?De waarde van de geest?
In Teach us to sit still, vertaald alsLeer ons stil te zitten, een scepticus zoekt zin en gezondheid, vertelt de Amerikaanse schrijver Tim Parks dat hij nooit had gedacht een boek te schrijven over het lichaam, en al helemaal niet over zíjn lichaam. Hij kreeg ondanks fanatiek sporten en een gezond dieet een langdurige ziekte die hem (bijna) tot waanzin dreef. Er is geen medische oorzaak voor zijn prostaatproblemen aan te wijzen en geen enkele behandeling slaat aan. Parks heeft altijd pijn en kan op een gegeven moment zijn geliefde wandelingen door het Toscaanse landschap niet meer maken.

Uiteindelijk moest hij zelfs de waarde die hij aan de taal en de geest hechtte opnieuw bezien.

Dat is één van de interessantste ontdekkingen uit het boek: hoe het voortdurend bezig zijn met taal hem in zijn hoofd laat leven. Als iemand die graag leest, schrijft en verzint, is dat voor mij een herkenbaar obstakel.

Van taal en geest terug in het lijf
Door een ontspanningstechniek te doen komt Tim erachter dat hij een behoorlijk gespannen mannetje is. Zonder het te merken spant hij delen van zijn lichaam zo sterk aan dat het voortdurende pijn tot gevolg heeft.

Zijn Shiatsu-therapeut raadt hem Vipassana aan, “om je lichaam weer te gaan voelen.” En dus schrijft Parks – die nooit eerder gemediteerd had – zich in voor een vijfdaagse retraite.

Aan het begin van een meditatiesessie, als woorden en beelden opborrelen in weerstand tegen zijn poging om hen weg te duwen, kan de schrijver zich amuseren. Later, als die onrust neergedaald is, verliest hij de drang om zijn ervaring in woorden om te zetten. De eerste minuten zijn na te vertellen, de rest niet, constateert Parks. Dat hij die eerste minuten van vele sessies opschrijft is maar goed ook, want het levert hilarische passages op:

‘Als u pijn voelt,’ bromde Coleman (de leraar) voor de zoveelste keer zogenaamd hypnotiserend voor zich heen, ‘maak dan een objectieve aantekening: pijn, pijn…’ (…) Voor de zoveelste keer vertaalde de eenbenige man die op de tafel zat: fare una nota obiettiva – (zeg je eigenlijk wel fare una nota?). Zijn stem klonk verveeld en mechanisch, terwijl die van Coleman sonoor en ritmisch klonk.

Ik kreeg zin om iemand te vermoorden.

Heerlijk herkenbaar. Voor mij was het een verademing om eens goed te kunnen lachen om andermans meditatie-ervaringen. Vooral omdat Parks een scepticus is, een denker, die niks van zweverigheid moet hebben.

Hoe verschrikkelijk hij de meeste meditatie-uren ook vindt, uiteindelijk daalt zijn hoofd neer naar zijn lichaam en neemt de pijn af. Zo ervaart hij dat geluiden fysieke dingen worden: “De klok tikte in vingers en tenen. De gong aan het begin en einde van elke sessie tintelde in mijn wangen. De deur die dichtgeslagen werd, voelde als een klap. Colemans stem luidde als een klok in je borst.”

Al het schrijven overboord?!
Deze nieuwe ervaringen doen hem halverwege een tiendaagse Vipassana-retraite besluiten te stoppen met schrijven. Er is namelijk een onoverbrugbare kloof tussen de ervaring en de geschreven weerslag van die ervaring. Zoals zijn idool Beckett al zei: “All writing is a sin against speechlessness.” Ook heeft Parks genoeg van zijn egocentrische verlangen naar lof en literaire prijzen.

Als hij een afspraak heeft met de Vipassanaleraar, de zwaarlijvige Amerikaan Coleman, bereidt hij een praatje voor dat niet onder zou doen voor een acceptatiespeech van de Booker Prize. Urenlang schaaft hij aan wat hij tegen Coleman wil zeggen. “Woorden halen mij uit het hier en nu”, zegt hij. “We praten nu toch?”, zegt Coleman uiteindelijk, “We gebruiken nu toch ook woorden? Dat is toch heel aangenaam? Nuttig, misschien wel.”

In het gesprek blijkt dat Parks het gevoel heeft als een monnik te moeten leven om Vipassana in zijn leven te integreren. Een gevoel dat mij de eerste jaren meditatie en boeddhisme ook regelmatig bekroop. Was het niet beter als ik geen verhalen meer zou schrijven, kon ik nog wel gaan dansen en bier drinken? Godzijdank at ik al jaren geen vlees meer, maar help: moest ik dat maandelijkse visje ook laten staan/zwemmen? Die brij van oordelen hielp in ieder geval niet om dichterbij de ervaring van rust en stilte te komen. Mijn benen op de grond voelen, wel.

En Tim Parks? Die heeft onlangs – pijnvrij – een nieuwe thriller geschreven.

Header: SpencerMel