faalretraite

Annemarie faalt verder: op retraite

Annemarie ging op retraite in Nepal en vond het hélemaal niks. Iedereen had schurft, er waren loerende toeristen en de Grote Heiligheid van alles ontging haar. Loslaten dus!

Weet je wat ook niet zo tof is? Falen op je eerste fatsoenlijke retraite. Dat was ongeveer wat onze faalboeddhist Annemarie dacht toen ze aan de andere kant van de wereld in een klooster zat. Om precies te zijn dacht ze: wat de fak doe ik hier?

Tsja, wat ik daar deed: dertig worden. Omdat ik dertig werd dacht ik: schijt aan dat medelijden van iedereen. ‘Oh-jee-gaat-het-wel-hoe-voel-je-je-erover?’ Rot op. Er is niks mis met dertig worden! En daarom ging ik iets doen dat iedereen (=mezelf) even hard moest overtuigen van het feit dat er écht níks mis mee was. Dus ik ging naar Nepal, in m’n eentje, en bovendien – voor het introspectieve randje wat erbij hoort als blanke Westerling met een redelijk inkomen van bijna-middelbare leeftijd – op retraite.

Want opgesloten mediteren in Azië, daar lees je over in al je boeken. Bijna elke leraar had wel een voor mij op dat moment vrij onbegrijpelijke spirituele bromance met een dude (altijd een dude) in een Mystiek Oosters Klooster gehad, en die Wésterse leraren, die snapte ik wel. Nouja, soms. Dus, ondanks het blatante Oriëntalisme dat van de planken van mijn Boeddhistische boekenkast drupte, zat er wellicht toch een kern van waarheid in?! We gingen het zien.

Berg vol vlaggetjes
Nou zat ik thuis vooral Zen te zitten a-la Brad Warner, maar Japan lag ietwat buiten mijn budget en bang voor rigide sesshins was ik ook, want verwend. Dankzij Mark Epstein (niet de gebruikelijke weg) had ik sympathie voor het Tibetaans boeddhisme opgedaan. Zo kwam ik, met een flink aantal andere Westerlingen, terecht in een Tibetaans-boeddhistisch klooster voor een retraite van tien dagen, met halve dagen stilte. Daar, op een berg vol vlaggetjes buiten Kathmandu, zat ik in de realiteit van zo’n retraite. En die was een beetje anders dan het idee.

De realiteit was bijvoorbeeld: schurft. Onder de deelnemers was een groep scholieren uit Amerika, in het kader van een cultureel programma. Zij hadden bij locals gelogeerd, en daar, jawel, schurft opgelopen. Krabbend zaten de tieners in de meditatiehal, de karakteristieke rode streepjes van de zich ingravende schurftmijt op hun benen en armen. Angstvallig zorgde ik er met een notitieblok of sjaal voor dat mijn kussen in de hal er altijd bezet uitzag, en deed ik mijn was met de hand.

Verlichting leuk, geen schurft ook leuk.

Blanke toeristen kijken aapjes
Ook realiteit: het klooster was een bezienswaardigheid. In het weekend was het stampensvol dagjesmensen die donaties kwamen geven en zich vergaapten aan de bling. Ik voelde me een aapje in een gouden kooi.

Onwillekeurig dacht ik aan een gids in Kathmandu, een louche jongen die me probeerde tapijten en tangkha’s te verkopen. Toen hij obligaat vroeg wat ik hier deed, en ik de retraite noemde, gleed de afkeer over zijn gezicht. Hij trok me een stille binnenplaats in. Daar zittend begon hij in slecht Engels, zo zacht mogelijk, een tirade over sociale ongelijkheid en religie. Een ongelijkheid die resulteerde in, zo zou hij het zien, een klooster zo vol bling dat het een attractie is, gefinancierd door mensen met schurft. Zijn betoog was doorspekt met xenofobe gevoelens over Tibetaanse vluchtelingen.

“Dit is niet voor gewone Nepalezen. Die hebben hier niets aan,” herhaalde hij af en toe, dringend.

Niet echt een onpartijdig standpunt, op z’n zachtst gezegd. Maar ik snapte waar het vandaan kwam.

Nog meer realiteit: het vrouwenklooster was elders en, naar verluidt, blingloos. Wij zaten in het mannenklooster met onze luxe witte billen. Of de vrouwen zich a.u.b. afzijdig wilden houden van de tienermonniken. We kregen overigens wel les van twee vrouwen. Westerse vrouwen. Daar kon ik zelf dan weer moeilijk onpartijdig over denken…

Richard uit ?Nederland
Het stukje realiteit dat me met beide benen op de grond zetten: gespreksgroepen. Die hadden we elke middag. Wat schetste mijn verbazing: mijn gespreksgroepleider was een zachtbespraakte jongen met een paardenstaart genaamd… Richard, uit Nederland. Daar zat ik, in een klooster op een berg ergens in de buurt van de Himalaya, en mijn gespreksgroepleider was Richard, uit Nederland.

Wat de fak deed ik hier.

En er was nog wel meer meer dat zorgde dat het niet lukte om de wijsheid die er gegarandeerd te vinden was, bij me binnen te laten komen. Er was de stupa waar ik kloksgewijs omheen moest lopen zonder dat ik vatte waarom. Het Italiaanse meisje dat zoveel vragen over karma stelde dat ik haar op een gegeven moment heel onboeddhistisch wel wat kon doen. En Richard UIT NEDERLAND dus, die drama niet kon voorkomen in ons gesprekgroepje, met een Amerikaanse wetenschapslievende tiener, fan van Richard Dawkins, wiens kritische vragen door de rest van de groep als respectloos werden ervaren.

Mij uitgezonderd. Ik snapte hem wel. Maar ik hield mijn mond, want ik was niet alleen zelf ook fan van Richard Dawkins, ik was bovendien smerig laf. Paradoxaal genoeg had ik, als kers op de taart, tegelijk veel jaloezie ten opzichte van de mensen in de groep voor wie het dit allemaal enorm wél was.

Mensen, mensen, ik was zo teleurgesteld in mezelf, op zo ontzettend veel vlakken.

En toen brak er iets. Ik was er klaar mee. Done. Dit was niets voor mij.

Ik hield op met er zitten als beoefenaar, en schakelde over naar de modus van toerist.

De belevenis
Ineens was ik op een kleurrijke, curieuze plek. Mediteren was lekker zitten, het eten was goed, het uitzicht prachtig, en die aap die buiten over de balustrade klom was belangrijker dan de rituelen binnen. Ik hoefde het nergens meer mee eens te zijn. Of ik me kon vinden in de leer was irrelevant voor mijn identiteit als beoefenaar, want ik wás er niet meer als beoefenaar. Eigenlijk, zou je kunnen zeggen, hield ik op het allemaal persoonlijk te nemen. Het ging niet over mij. Het was er gewoon.

Aan het eind van de retraite mochten we aanzitten tijdens puja. Een kleurrijke, luide dienst, die nochtans snel eentonig werd, onverstaanbaar was en lang duurde. Meerdere kindermonniken vielen op hun kussen in slaap. Ik haalde er niets uit. Toch, een diepe opluchting maakte zich van mij meester. Mijn twijfel en ergernis waren weg. Alle gewaden en muziekinstrumenten, dit was een belevenis. En toen ik moe was, kroop ik discreet naar buiten.

En zo werd de realiteit van falen op mijn eerste retraite een van de belangrijkste lessen in vastklampen en loslaten ooit.