Vuurspugen

Angst voor kritiek

Tom Hannes kreeg laatst kritiek van een lezer. In zijn eerste boek liet de schrijver zich niet zo lovend uit over Eckhart Tolle en gebruikte daarbij het woord 'circus'. Dat vond de lezer niet zo netjes. Had zij gelijk? In het kader van de BOS-docu Angst, schreef Tom een column over de angst voor kritiek en het uiten daarvan.

Ik kreeg onlangs op m’n donder van een lezer. Ze begreep niet waarom ik in mijn boek Zen of het konijn in ons brein kritiek gaf op Eckhart Tolle. Je weet wel, de man van de superhit De Kracht van het Nu. Ze vond het vreemd dat ik als boeddhist überhaupt kritiek kon geven. Ook de felle manier waarop ik dat deed had haar onaangenaam verrast. Waarom had ik me zo laten gaan?

Ik moet toegeven, ze had een punt. Ik was inderdaad fel geweest. Ik had Tolle niet bij naam genoemd, maar had zijn Kracht-van-het-Nu-seances op Youtube wel degelijk omschreven als een ‘circus’. Niet meteen het beste voorbeeld van nobel spreken van mijn kant. Ter verdediging: het Konijn was mijn allereerste boek, ik schreef het acht jaar geleden en vandaag zou ik het wellicht anders aanpakken. Maar de lezersvraag had me wel geraakt en ik bleef er een tijdje mee rondlopen. Vannacht hield ze me zelfs uit mijn slaap. ‘Interessant’, denk je dan…

Ik wil hier niet zozeer de inhoud van mijn kritiek op Tolle bespreken (want ik blijf vinden wat ik ervan vond). Maar over het woord ‘circus’, ja, daarover heb ik berouw. Ik heb eventjes geschermd met het argument dat Tolle mijn boek toch nooit te lezen krijgt en dat hij er dus weinig last van kan hebben. Maar in mijn slapeloos gewoel vannacht voelde ik dat dit argument niet werkte. Tot ik eindelijk met hart en ziel toegaf: ‘Ik heb er spijt van. Zonder meer. In het vervolg zal ik meer zorg besteden aan mijn manier van kritiek geven.’

Voordat je verder leest..

...willen we je graag wijzen op de mogelijkheid om vriend te worden van Bodhi. Boeddhisme hoort niet achter een betaalmuur, vinden wij. Maar we hebben wel jouw steun nodig om dit soort content te maken, en daarmee het boeddhisme levend te houden in de media. Wil jij hieraan bijdragen?

Ja, ik word vriend!
Ik lees eerst verder

Dat luchtte op.
Maar slapen lukte nog altijd niet. ‘Sorry zeggen is niet genoeg’, merkte ik na een tijdje, steeds vermoeider. ‘Ik moet te weten komen waarom ik toen uit de bocht ben gegaan. Wat had me daar precies toe verleid?’ Pas toen ik mezelf die vraag stelde, viel ik in slaap. ‘s Morgens werd ik fris wakker. Met alvast de volgende twee antwoorden.

1. De angst van de criticaster

 

Waar we pijnlijke dingen verbergen voor onze aandacht, kan het leed volop woekeren

Tweet

Kritiek formuleren is lastig. Ik heb er een viscerale afkeer van. Alleen besef ik dat niet altijd. Als ik tijdens het uiten van kritiek erin slaag om subtiel aandacht te blijven hebben voor mijn lichamelijke sensaties, merk ik hoe vuil ik me meteen voel. Alsof ik een volledig pakje sigaretten met één trek in mijn longen zuig. Kritiek uiten geeft een spanning aan mijn slapen en tussenribspieren, mijn middenrif verkrampt, ter hoogte van mijn lever begint er iets te zeuren, mijn hoofd gaat in mijn nek liggen en daardoor krijg ik rugpijn.

Ik wil dat niet voelen. Want ik wil mij kunnen focussen op mijn kritiek op iets wat volgens mij niet klopt en zelfs schadelijk voor ons welzijn kan zijn. Op zulke momenten kan een lekker overdreven uithaal mijn criticasterpijn wat verdoven. Het is, toegegeven, een bange strategie. Liever dan in contact te blijven met de pijn van kritiekformulering, neem ik snel de gepantserde positie in van een cabaretier tegenover een volle zaal of een volksvertegenwoordiger in het parlement: bulderend en hopelijk scorend mijn punt maken, zonder de kramp te voelen. De last bedekken onder de lust. Maar zoals het boeddhisme zo vaak aangeeft: waar we pijnlijke dingen verbergen voor onze aandacht, kan het leed volop woekeren.

 2. De angst om uit de kast te komen

En toch. Naast de viscerale kant is er ook een symbolische kant aan het verhaal. Mijn uithaal naar Tolle was niet enkel een verdovingsmiddel tegen mijn eigen angst voor het sigarettengevoel. Ik wilde ook een stok in het hoenderhok gooien. Vooral in het licht van een ongeschreven regel die in de mediterende Lage Landen geldt: Gij zult vaag blijven over uw spirituele praktijk. De redenering is dat de onderlinge verschillen en zelfs spanningen tussen de tradities en leraren maar oppervlakkige verschijnselen zijn. Dat het in wezen gaat om wat onder de verschillen ligt: een fundamentele harmonieuze waarheid die we niet kunnen bespreken, omdat we ze enkel in stilte kunnen ervaren.

Dat klinkt mooi. Mystiek. En geweldig aantrekkelijk. Maar met permissie: ook die denkwijze lijkt me gebaseerd op angst. De angst dat spiritualiteit dezelfde toer opgaat als de op winst en macht beluste wereld om ons heen, waarvan we net hopen te ontsnappen door onze spiritualiteit. We noemen die wereld vaak de graaicultuur. Ik heb hem in een eerdere column de wereld van de homo economicus genoemd: het dogma van de mens als fundamenteel zelfzuchtig individu, van wie de natuurlijke staat die van een constante oorlog is van iedereen tegen iedereen. Zo is het nu eenmaal. Iets anders geloven is gevaarlijk naïef. (Dat is een beetje de erfenis van de 17de-eeuwse Engelse filosoof Hobbes, die dit soort dingen bedacht toen zijn land in volle burgeroorlog was.)

Aaicultuur

Het is begrijpelijk dat we van een wijsheidsweg een heel andere levenshouding verwachten. Ik deel die verwachting ook. Helemaal. Maar soms heb ik de indruk dat we in mediterende middens de graaicultuur voornamelijk proberen te vermijden door ze te vervangen door een tegengesteld dogma. We zouden die onze aaicultuur kunnen noemen: de mens is, als zijn omgeving maar natuurlijk genoeg is, fundamenteel gelukkig, aardig en harmonieus. Als we simpelweg hier en nu zijn, worden we vanzelf de paradijselijke wezens die we eigenlijk zijn. (Dit is dan weer een beetje de erfenis van de 18de-eeuwse Franse filosoof Rousseau, die dit soort dingen bedacht op zijn eenzame wandelingen in het groen, en daarmee Hobbes van antwoord wilde dienen)

We lijken onbewust ervan uit te gaan dat voor onze grote levensvragen de keuze beperkt is tot graaien of aaien. Dus wie iets oppert tegen het aai-dogma, wordt automatisch verdacht mee te heulen met de nietsontziende graaiers. Wie niet meegraait, is een dromerige aailing. In ons dagelijks leven functioneren we vaak parallel in beide culturen: op het werk graaien we mee tot we erbij neervallen en in onze vrije tijd bekomen we daarvan door een deugddoend aai-momentje. Iets anders kan er niet zijn. Tenminste, als je de twee dogma’s aanvaardt. En dat doe ik niet.

Ik denk dat boeddhisme bij geen van beide culturen behoort. Voor mij bevat een boeddhistische weg net zo goed het precies en scherp uiten wat we denken, geloven, hopen, verwachten en willen van onze praktijk. De platitude van ‘ik verwacht niets, ik wil enkel zijn’ drukt volgens mij geen ontwaken uit. Ze lijkt me eerder ingegeven door de angst om terecht te komen in het agressieve willen van de alomtegenwoordige graaicultuur, die ons leven en onze planeet verwoest. Deze angst is begrijpelijk, maar doet ons belanden in de al even funeste aaicultuur, die leeft van vaagheid, genotzucht en zelfs intellectuele luiheid. Zodat – oh pervers neveneffect! -de parallelle graaicultuur ongestoord zijn gangen kan blijven gaan.

Ook dat heeft me verleid tot mijn te felle uithaal naar Tolle: mijn bezorgdheid dat wijsheidswegen in onze contreien ingekapseld dreigen te worden door een aaicultuur, die elke spanning of verschil vermijdt als een blijk van de graaicultuur. En daardoor overgevoelig wordt voor de spanning van het verschil. Ik denk dat een levendige discussiecultuur, die zo’n belangrijk deel is geweest van de boeddhistische tradities, ons daarin kan helpen. Als wijsheid zoekende wezens drukken we ons maar beter zo goed mogelijk uit. Ook onze kritiek. Niet als heilige waarheid, maar als een eerlijke uitdrukking van wat we hier en nu denken, hopen, voelen en doen. Fragiel in onze beperktheid. En dus net zo goed vatbaar voor kritiek en bevraging. Zelfs voor aanvallen. Maar zo komen we tenminste uit de kast. Waar het leven ten volle te leven is. Waar onze praktijk meer kan zijn dan een serreplantje dat in de buitenwereld geen schijn van kans maakt.

Dit gezegd zijnde: mijn berouw over mijn uithaal blijft onverminderd. Ik hoop dat ik het kan transformeren tot een krachtige wil om het anders en beter te doen. Duim voor mij.

Titelbeeld: Wikimedia