Resort

Backpackershaat

Báckpackers. Volgens Mari een van de meest jeukopwekkende menstypen dat er bestaat. Maar zelf behoort onze faalboeddhist ook tot deze groep.

“Ik vind Afrika geweldig, want het heeft zulke ruige randen,” zei de Duitse twintiger die net was aangekomen in het hostel. “Het échte Afrika dan, hè.”

We zaten op Ilha de Moçambique – deze fitte jonge Duitser met zijn perfecte glimlach, een cynische dertiger van twee meter uit Melbourne die chronisch op reis was omdat ‘ie z’n huis verhuurde, een stil Koreaans meisje, een blanke Zuid-Afrikaan die ooit jurist was maar nu in de bouw werkte, en ik.

De jongen uit Melbourne rolde met z’n ogen, zuchtte diep en verliet direct het gesprek. Hij was al maanden op reis op het continent, kampte met darmproblemen en zat door het slechte openbaar vervoer hier vast. Hij haatte de ‘ruige randen’ van Noord Mozambique. Het Koreaanse meisje zweeg, besloot eten te gaan maken. Zij was in Tanzania door een taxichauffeur beroofd van haar pinpas en met geweld gedwongen haar pincode te geven. Zij haatte vooral de ruige randen van Tanzania. De Zuid Afrikaan werkte op het eiland, hield ervan en vervloekte het bij vlagen. Hij haatte vooral bullshit.

“Wat ik van Afrika heb meegemaakt is wat te moeilijk voor mij,” zei ik eerlijk. Soms helpt eerlijk zijn. “Ik ben een mietje. Azië trek ik beter. Maar India zou ik ook niet naartoe willen. Zeker niet met de huidige golf van verkrachtingen.”

“Het is maar waar je voor gaat, natuurlijk. Het is niet voor iedereen. IK vond India geweldig,” zei de Duitser met een minzame glimlach. “Het is zo… in your face. Weetjewel. In de media worden dingen heel erg overdreven trouwens. Ik ben zat alleenreizende vrouwen tegengekomen in India en geen van alleen waren die verkracht. Het is best veilig hoor.”

Ik haatte op dat moment vooral hém.

Voordat je verder leest..

...willen we je graag wijzen op de mogelijkheid om vriend te worden van Bodhi. Boeddhisme hoort niet achter een betaalmuur, vinden wij. Maar we hebben wel jouw steun nodig om dit soort content te maken, en daarmee het boeddhisme levend te houden in de media. Wil jij hieraan bijdragen?

Ja, ik word vriend!
Ik lees eerst verder

“Excuseer me dat ik jou daar niet op geloof,” zei ik. “Ik maak media trouwens.”

De Duitse jongen wuifde mijn opmerking weg, schudde zijn halflange donkerblonde haar aanstellerig naar achter en begon een ander sterk verhaal over een ruige rand die hij heel erg lekker in your face had gevonden. Ik liet hem achter met de Zuid-Afrikaan die daar ook niet op zat te wachten. Maar ik zat even midden in een keiharde metta faal.

Backpackersmetta

Een paar maanden daarvoor nog, op retraite, werd me op het hart gedrukt dat ik het beste méér aan metta, liefdevolle vriendelijkheid, kon doen. En ook op elke andere retraite ooit. En tijdens sanghabijeenkomsten is het de terugkerende huisgrap. Liefdevolle vriendelijkheid naar mezelf en anderen, dé emotie die je traint als balans tegen woede, daar schortte het aan bij mij.

Dat wist ik wel, want ik haatte mettameditatie. Al jaren was het een work in progress, het trainen van tolerantie, het accepteren van delen van mezelf die ik niet bij mijn ‘ik’ vond passen. Plus dingen als: niet zo’n bloedhekel hebben aan de mensheid, ook al zijn we collectief de aarde naar de afgrond aan het helpen. Een heel nuttige beoefening, kortom, die ik alles behalve comfortabel vind (en iedereen die zegt dat ze het heerlijk vinden, begrijp ik op een fundamenteel niveau niet). Metta: my favorite thing! Not.

Op reis blijkt backpackersmetta een noodzakelijke vaardigheid tegen, onder andere, iets dat ik backpackershaat wil noemen. Een soort haat voor de ander die tegelijk over jezelf gaat. Het helpt je accepteren dat je zélf een van de meest jeukopwekkende dingen op de aardbol bent: een backpacker.

Riksja

Het meest irritante aan een backpacker zijn, is dat zodra je doorhebt dat je één vervelend stereotype belichaamt en je daar tegen wilt afzetten, je automatisch in een ander stereotype terechtkomt.

Zo heb je de zeikmensen die keihard over elke cent onderhandelen, alsof dat voor jou net zo veel uitmaakt als voor de lokalo die jou probeert iets te verkopen. Bah! Zo wil je niet zijn. En voor je het weet verander je in de haatwaardige tegenpool: pijnlijk nonchalant met geld strooien in een regio waar mensen voor elke cent een dag moeten werken.

Ook annoying: de rugzaktoerist die meedoet aan de lokale semi-pakketreisjes waarin een neppe bergdorpervaring wordt gecombineerd met die ene toeristenafgeladen tempel. Dát is toch niet hoe het land écht is! Beter kun je er tenenkrommend prat op gaan dat je in de drie keer dat je hier bent geweest, de lokale grote bezienswaardigheid nog nooit hebt gezien, maar als enige blanke in een minidorpje hebt gebivakkeerd, waar je behandeld werd als ware je een local. Ja hoor.

Eén van mijn reisvrienden had een ongekende hekel aan blanke toeristen die rondgereden werden in een riksja en probeerde te voorkomen dat hij er ook zo een zou worden – wat gewoonweg onmogelijk is als je de tempels van Angkor Wat bezoekt. Daar zat hij, in die riksja, zijn eigen grootste afkeer te belichamen.

Een oneindige cirkel van identiteitsellende, dus. Dit alles om onszelf voor te houden dat het mogelijk is om een backpacker te zijn zonder, nouja, een báckpacker te zijn. Terwijl als we eerlijk kijken, we zien dat we onderdeel zijn van een ecosysteem van mobiliteit, geldstromen en internationale verhoudingen. Mogelijk gemaakt door sabbaticalregelingen, gap years, vrouwenrechten, de prijs van kerosine en een privilegepositie met betrekking tot de wereldwijde inkomensongelijkheid. Een dynamiek waar mensen onder lijden en van profiteren, soms tegelijk. Jezelf zien als losstaand van dit alles is absurd. In jou zit elke andere backpacker in de wereld. Plus de rest van de wereld erbij.

Te mooi

Een week later zat ik een land verderop, in wat beschouwd kan worden als, naar lokale standaarden, het meest luxe resort in de regio. (U kent dit misschien nog uit mijn column over alcohol.) Ik deed daarmee nog zo’n ding wat backpackers van andere backpackers haten: je alleen ophouden op plekken die in de Lonely Planet staan en daar alleen met andere backpackers praten. Ik haatte mezelf daar ook best wel een beetje over, dit hóórde niet bij wie ik vond dat ik moest zijn, maar ik was ziek, in een chronisch grafhumeur door de Malarone en wilde niets met ruige randen doen. Niets. Déze soort vreselijke backpacker was ik vandaag. En ja, radicaal accepteren van deze backpackershaat was langzaam aan het lukken. Tot er op een avond optredens waren. Wie stond er tussen de toeschouwers? De Duitser.

Metta, metta, niet bij voorbaat afschrijven, sprak ik mezelf toe. Bovendien was ik benieuwd: waar ik uiteindelijk het vliegtuig had genomen, had hij over land gereisd. Met de trein en lokale minibusjes over de slechte wegen in het van een burgeroorlog herstellende Mozambique, waar men alleen Portugees sprak. Iets dat ik me voorgenomen, maar uiteindelijk niet gedurfd had.

“Hey hoi,” Zei ik. “Jij ook hier! Hoe was de treinreis?”

“Eigenlijk hartstikke goed te doen, nette trein. Tenminste, als je eersteklas zit zoals alle blanke toeristen. Maar ik reisde tweedeklas. Gekkenhuis! Dan zit je pas écht tussen de mensen.”

Mensen die, als ze jouw geld hadden, echt heus ook zelf wel een eersteklas ticket gekocht hadden…
Hij vervolgde met een verhaal over de geweldig vreselijke overnachtingsplekken waar hij onderweg moedwillig voor gekozen had.

Oh, god. Shoot me now.

“Wat een plek trouwens, dit,” zei hij. “Té mooi. Het lijkt wel niet echt. Slaap je hier?” Ja, ik sliep hier. “Dat zou ik nou nooit kunnen,” zei hij. Hij rilde kort met afkeer, zijn neus krulde op. “Te veel blanke mensen hier.”

Backpackers waren we, allebei, en onlosmakelijk verbonden en meer van zulks. En allebei zagen we dat op dat moment even he-le-maal niet. Met als enige verschil dat ík me dat wel had voorgenomen. Compleet vergeefs.

Headerfoto: Wikimedia