Door: David Brazier Roshi. Vertaling: Gertjan Mulder.
Angst is een gegeven; ze is een fundamenteel onderdeel van het leven en het bewustzijn. En hoewel angst misschien niet prettig aanvoelt, is ze nuttig en noodzakelijk. In het spirituele leven ligt de uitdaging van angst in de vraag of we de wijsheid hebben om er goed mee om te gaan.
In het boeddhisme wordt onbevreesdheid, zowel ten aanzien van innerlijke als uiterlijke obstakels, vaak geprezen als een deugd. Het vergt onbevreesdheid om je eigen neuroses aan te pakken, of om niet overweldigd te raken wanneer je fysiek gevaar onder ogen ziet. In de Majjhima Nikaya van de Pali-canon is een hele soetra, de Bhayabherava gewijd aan hoe men ‘onheilzame angst en vrees’ kan overwinnen. Maar onbevreesdheid is niet het hele verhaal.
De Dharma als geheel wordt uiteengezet in termen als: het nemen van toevlucht uit samsara, uit de kringloop van dukkha, het lijden. Maar zonder angst zoek je geen toevlucht. Wat betekent dat angst, en niet alleen onbevreesdheid, een belangrijke rol te spelen heeft. Hoe moet deze schijnbare paradox worden opgelost? Verschillende boeddhistische tradities zijn hier op uiteenlopende manieren mee omgegaan. Een bekende benadering is het zogenoemde heroïsche pad, waarin we proberen vermeende tekortkomingen, angst inbegrepen, te overwinnen. Naarmate je vordert op het heroïsche pad, zo luidt de logica, zal angst op een natuurlijke manier afnemen. Bereik het niveau van spirituele perfectie en je zult helemaal geen angst meer voelen. Dus, ga meteen aan de slag met het vervolmaken van jezelf!
Daartegenover staat wat we een pragmatische benadering zouden kunnen noemen. Daarbij vertrekken we vanuit hoe we ons in werkelijkheid aantreffen: feilbaar, kwetsbaar en sterfelijk. De Japanse Zuivere Landscholen noemen dit onze bonbu-natuur. Op het pragmatische pad ligt het fundament niet in het streven onszelf te verbeteren; de basis is veeleer een natuurlijke houding en eerlijkheid over ons zeer onvolmaakte zelf.
Hier is een klein verhaal dat ik hoorde over angst. Er was een klooster in de bergen van China. Wilde herten kwamen het prachtige terrein van het klooster op. De monniken hielden van de herten en genoten ervan hen te voeren. Toen de abt dit hoorde, kwam hij naar buiten, schreeuwend en met zwaaiende armen, en viel hij de herten aan met zijn staf. De herten raakten in paniek en renden weg. De abt hing vervolgens een bericht op waarin stond dat er geen herten meer gevoerd mochten worden en dat alle herten die op het terrein werden gezien, moesten worden verjaagd. De monniken protesteerden en zeiden: “We zijn hier gekomen om vriendelijkheid en compassie te leren. Wat voor voorbeeld geeft u door zo boos te worden op deze zachtaardige dieren? Dit kan niet juist zijn?” De abt richtte zich tot de gemeenschap en zei: “Kijk, in deze bergen zijn jagers. De enige verdediging die deze dieren hebben, is hun angst. Als je die van hen wegneemt, zullen ze allemaal zeer snel worden gedood.”
Als we geen angst hadden, als we werkelijk onbevreesd waren, zouden we, zonder dat te beseffen, net als de herten in groot gevaar verkeren. We hebben bewustzijn nodig om waakzaam te kunnen zijn. Zelfs het meest primitieve dier deinst terug voor wat schadelijk is. Bewustzijn zelf is nauw verbonden met angst, en ook met grijpen. Als we niets hoefden te verkrijgen en nergens voor hoefden weg te rennen, zouden we waarschijnlijk helemaal geen bewustzijn hebben ontwikkeld. We zouden het niet nodig hebben gehad. Rotsen hebben geen bewustzijn nodig, ze aanvaarden alles.
Aanvaarding is ook een boeddhistisch ideaal, maar dit tot het uiterste doorvoeren zou een vergissing zijn. We streven er niet naar rotsen te worden.
Soms wordt gezegd dat vertrouwen angst wegneemt, en daar zit waarheid in. Maar volgens mij is het belangrijkere punt dat vertrouwen onze aandacht verlegt van de alledaagse stress naar de grote angst en opwinding die ons spirituele leven omlijsten. Wanneer de beoefenaar die angst ervaart, weet ze dat ze dichtbij de rauwe energie van het leven zelf is, de élan vital. Het is deze levensenergie die betekenis geeft aan het heilige leven. Als we die proberen te onderdrukken, zouden we wel eens een soort heilige avidya, of onwetendheid, boven op de wereldse onwetendheid kunnen gieten.
Vertrouwen verlegt onze aandacht van de alledaagse stress naar de grote angst en opwinding die ons spirituele leven omlijsten.
Pragmatisch gezien kan het zinvoller zijn onze verhouding tot angst te zien als het bestrijden van vuur met vuur. De pragmatische Dharma-beoefenaar kan een grotere angst gebruiken om kleinere angsten te verdrijven. Wanneer we ons onze kleinheid realiseren, toevlucht zoeken en onze plaats vinden binnen het grote rijk van de Dharma, hebben we niets te verliezen. Zo’n heroriëntatie helpt ons vrede te vinden in het midden van de draaikolk van het leven. Maar die draaikolk komt niet tot stilstand. Vanuit die positie kiest de wijze mens – de angst koesterend en de Dharma indachtig – voor de meest compassievolle weg: meer bezorgd om anderen dan om zichzelf en in het besef dat we allemaal samen in één boot zitten.
Angst heeft ook haar nut. Wie aandacht wil cultiveren, merkt al snel dat we nooit zo scherp opletten als wanneer we bang zijn. Op zulke momenten blijf je dwangmatig alert en kun je niet slapen. Het cultiveren van aandacht is daarom een verfijning van de energie van angst, een energie die dichtbij de kern ligt van wie we zijn.
Angst is soms opwindend, zoals wanneer je een nieuwe motorfiets tot het uiterste test. Meestal is het echter onprettig. Hoe dan ook motiveert het ons. Het zet ons in beweging. De meest basale actie die het oproept is wegrennen — en in veel situaties is dit de beste koers. Het kan moedig en groots lijken om het op te nemen tegen een vijand die veel groter is dan jijzelf, maar het is ook een uitgelezen manier om om het leven te komen. Als er een tijger opduikt, dan kun je maar beter wegrennen, anders ben je al snel zijn volgende maaltijd.
Angst zet ons in beweging. Wanneer we bang zijn, kunnen we krachttoeren verrichten die we op andere momenten niet kunnen leveren. Angst mobiliseert al onze hulpbronnen. Zenmeester Dogen zegt dat we zen moeten beoefenen met de urgentie van iemand wiens haar in brand staat. In zo’n geval zouden we geen moment aarzelen, maar direct in actie komen.

Het is duidelijk dat er een bandbreedte is waarbinnen angst ons scherp houdt en het beste in ons naar boven brengt. Is er te weinig angst, dan worden we zelfgenoegzaam, verveeld en gemakzuchtig. Is er te veel, dan raken we verlamd. Toen ik voor het eerst in het openbaar begon te spreken, gebeurde het soms dat ik zweette en trilde en mijn woorden er nauwelijks uit kwamen. Ik merkte dat het het beste was om het publiek eenvoudigweg te vertellen dat ik vreselijk nerveus was. Tot mijn verrassing hielp dat mij te ontspannen en maakte dit het publiek welwillender. En zo liep het toch goed af.
Door ervaringen als deze realiseerde ik me dat het gif dat mij verlamde niet zozeer de angst zelf was, maar de trots die mij ertoe bracht die angst te verbergen en mij te willen voordoen als iemand die heer en meester is over zijn menselijke natuur. Maar op het moment dat ik mezelf toestond er gewoon te zijn en te delen hoe ik me werkelijk voelde, ontstond er een band met het publiek. Angst kan mensen met elkaar verbinden.
De meest schrijnende angst betreft niet de angst om onszelf, maar de angst die we voor anderen voelen.
Het is gebruikelijk de Dharma te begrijpen in termen van zelfontwikkeling en uiteindelijk zelfperfectie. Maar elke vorm van perfectie die zich aandient, ontstaat hooguit als bijproduct. Het staat ons vrij technieken uit het boeddhisme te gebruiken om ons wereldse leven te verbeteren, maar daar gaat de Dharma in wezen niet over. Zij vraagt om het aannemen van een meer heilzame houding tegenover de werkelijkheid zoals die is.
Als we de eigenschappen van onszelf die we niet mogen, simpelweg zouden kunnen wegwerken en ons met wilskracht tot perfectie zouden kunnen dwingen, dan zouden we daar waarschijnlijk eerder slechter van worden. Succes in zo’n heroïsche onderneming zou er al snel toe leiden dat we volledig opgaan in onze vermeende grootsheid. En nog vóór we zo’n hoogtepunt bereiken, zouden we ons onderweg al snel rijker voordoen dan we zijn en onze eigen tekortkomingen gemakshalve negeren. Dat heb ik zelf zeker gedaan.
We zijn verwarde wezens, zwak en kwetsbaar. We zijn vooral vatbaar voor zelfgerichte impulsen die ontstaan uit onze karmische stroom. Het heeft geen zin te doen alsof het lezen van een paar boeddhistische boeken of het volgen van enkele retraites ons immuun zou maken voor zulke tekortkomingen. Nog schrijnender is het geval van iemand die na vele jaren van strenge boeddhistische discipline met wanhoop of cynisme beseft dat hij nog altijd ten prooi valt aan krachtige, ongevraagde emoties, en daaruit concludeert dat óf de Dharma niet werkt, óf dat hijzelf een hopeloos geval is.
In zekere zin is het essentieel te erkennen dat we hopeloze gevallen zijn. We zullen eigenschappen van onze fundamentele aard niet kunnen uitbannen, en werkelijk spiritueel ontwaken heeft meer te maken met het eerlijk onder ogen zien daarvan, dan met het koesteren van een of andere fantasie over een soort Superman-Boeddha die in ons zou wonen. Onze ware aard zien, onze menselijke aard, is geen cynisme — het is ontwaken.
Het besef dat we onvolmaakt zijn, en dat diepgaand, ondermijnt trots. Het zet ons met beide voeten op de grond — op de vaste grond van de ervaarbare werkelijkheid. Het is eigenlijk een opluchting. Het kan teleurstellend zijn, maar zelfs dan kunnen we het ego aan het werk zien en er, hopelijk, om lachen. Ook dat hoort bij onze al te menselijke aard. Teleurstelling in onszelf is niet iets wat we moeten wegwerken; het is iets wat we met anderen kunnen delen.
In het boeddhisme spreken we veel over vergankelijkheid. De Boeddha sprak over vergankelijkheid om ons bang te maken. Dat klinkt misschien vreemd, dat de Boeddha ons op zo’n ingrijpende manier wilde verontrusten, maar hoe anders had hij ons zover kunnen krijgen onze spirituele en existentiële situatie serieus te nemen? Het leven is kort. Er is veel te doen. Onze wereld zelf verkeert in gevaar door onze spirituele gesteldheid. Onlangs stuitte ik op een overzicht van landen die als gevaarlijk worden beschouwd om te bezoeken, en die lijst omvatte meer dan de helft van alle landen op aarde. Er zijn ecologische gevaren, militaire gevaren, gezondheidsrisico’s en bovenal spirituele gevaren — waarvan misschien wel de grootste is dat we onze zorg om al die andere gevaren verliezen.
Het boeddhisme is een toevluchtsoord, een ruimte waarin we worden aanvaard zoals we zijn, met al onze tekortkomingen en angsten. En waarin we worden aangemoedigd te doen wat we kunnen voor het welzijn van alle levende wezens. De boeddha’s zijn voortdurend bezig ons te helpen. Zij zien dat wij in gevaar verkeren. Wij zien dat zelf lang niet zo scherp als zij.
De toestand van onze wereld hangt af van de geest waarmee we haar benaderen en verzorgen.
Er is hier een schijnbare paradox—dat het te stevig vasthouden aan onze idealen ons wel eens slechter zou kunnen maken door ons blind te maken voor de werkelijkheid. Wat ons zeer waarschijnlijk in de problemen zal brengen op zowel werelds als spiritueel vlak. Door trots te zijn op onszelf en ons eigen begrip, raken we gemakkelijk verwikkeld in ruzie en rivaliteit. Velen van ons zijn lid geweest van spirituele gemeenschappen waarin onvriendelijke ruzies zijn uitgebroken of, erger nog, langdurig onder de oppervlakte zijn blijven voortwoekeren, onderdrukt door de neiging ons voor te doen als verlichter dan we werkelijk zijn.
Dit komt vaak doordat we niet willen toegeven dat we bang zijn. We weigeren in te zien hoe belangrijk angst is voor ons als mens en hoe nauw het verbonden is met het leven zelf. We zien onze eigen blinde vlek niet en herkennen het gevaar niet. Die blinde vlek is veel gevaarlijker dan de angst zelf. We zien niet dat wijzelf een rol spelen in het ontstaan ervan. Als we dit echt zouden inzien, zouden we meer angst voelen en zorgvuldiger in onze beoefening zijn. Het spirituele gevaar dat ons bedreigt, en anderen misschien nog wel meer, zou dan duidelijk worden. We zouden de hulp van boeddha’s en voorouders meer op prijs stellen en minder arrogant zijn. Dan zou onze angst ons een stukje wijsheid brengen, en zouden we begrijpen wat voor geschenk het eigenlijk is.
Omslagafbeelding: Solstice Figurine (keramiek met goudlustre) Antoinette Nausikaä, 2021.