“Zwei Seelen wohnen, ach, in meiner Brust.”
— Faust, Goethe
Op 4 mei herdenken we. Maar wie herdenken we? Elk jaar opnieuw laait de discussie op. Zijn het alleen de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog die onze stilte verdienen? Of mogen we ook denken aan hen die later vielen — kinderen in Gaza, burgers in Oekraïne, onbekenden wiens namen we nooit zullen kennen?
Wat doen we met de namen die te beladen zijn, te pijnlijk?
In 2014 vond al meer dan de helft van de Nederlanders dat ook gesneuvelde Duitsers herdacht mochten worden. Misschien is ons begrip sindsdien nog meer gegroeid.
Voor mij persoonlijk zijn 4 en 5 mei bijzonder aangrijpende dagen omdat zij nauw vervlochten zijn met mijn complexe familiegeschiedenis. Mijn grootouders en ouders hebben de oorlog overleefd en zijn daarna overleden. Maar bij de herdenking op 4 mei voel ik me diep met hen verbonden omdat de oorlog in mij nog steeds niet helemaal voorbij is.
Mag ik mijn moeder herdenken? In 1945 een jonge vrouw die haar geboorteland verliet. Ze fietste door Nederland dat danste van vreugde, maar in haar hart voelde ze slechts afscheid. Haar bestemming was niet vrijheid, maar een nieuw leven in Duitsland, bij de man van wie ze hield: een Duitse marineofficier. Haar liefde was een daad van verraad, in de ogen van velen. In Nederland was ze een landverraadster. In Duitsland bleef ze een buitenstaander.
Mag ik mijn vader herdenken? Geen nazi, geen overtuigd volger van Hitler, maar wel een officier van de ‘Kriegsmarine’. Een man die in 1941 mijn moeder ten dans vroeg in het Kurhaus van Scheveningen, terwijl haar eigen moeder Joodse mensen aan onderduikadressen hielp. Hij wist het. Hij zweeg. Een man die liefde en plicht, geweten en overleven, allemaal moest verenigen.
Mag ik mijn grootmoeder herdenken? De vrouw die haar dochter verliefd zag worden op de vijand. Een moeder die joden hielp onderduiken, terwijl haar enige kind een andere afslag nam. Hoe verscheurd moet haar hart zijn geweest?
Mag ik mijn grootvader herdenken?
Ik vond zijn naam in het ‘Centraal Archief voor Bijzondere Rechtspleging’ in Den Haag. Collaborateur. Het staat er, zwart op wit. Binnenkort zal ik zijn dossier inzien. Maar wat als die documenten mijn herinneringen verkleuren? Wat als de opa met het gouden zakhorloge, de man die mij op skivakanties meenam en verhalen vertelde, verandert in een vreemde? Hoe leef je met de wetenschap dat iemand van wie je hield ook iemand was die anderen kwaad deed?
Mijn grootouders woonden samen in een huis in de oorlog. Het moet een ondraaglijke spanning zijn geweest. Direct na de bevrijding vroeg mijn grootmoeder de scheiding aan. Haar daden, haar hulp aan onderduikers, redde haar: ze mocht blijven wonen in het huis dat anders door de staat in beslag zou zijn genomen, omdat haar man een verrader was.
Dit is mijn familiegeschiedenis. Een verhaal van liefde en verraad, van moed en zwijgen, van keuzes die te zwaar waren om te dragen en die toch gemaakt werden.
Mijn ouders vonden elkaar dankzij de oorlog. Mijn grootouders verloren elkaar door diezelfde oorlog. Mijn ouders overleefden. Maar de oorlog bleef hen achtervolgen.

In onze tijd, waarin polarisatie en discriminatie weer de grote thema’s zijn, is mijn verhaal belangrijker dan ooit. Omdat het veroordelen van mensen op basis van hun herkomst enorm veel schade kan aanrichten. En dat geldt in bijzondere mate voor kinderen.
Als een kind niet open en trots mag zijn op de eigen wortels dan kan dit het hele leven gaan beïnvloeden.
Ik ben geboren in 1954, in het noorden van Duitsland, negen jaar na het einde van de oorlog en toch voelde het alsof die nog steeds om ons heen hing.
Mijn moeder vierde amper kerst — te Duits. Maar Sinterklaas? Uitbundig. Ze zong geen Duitse kinderliedjes, maar las voor uit Pluk van de Petteflet. Ik verstond de helft van de woorden.
Mijn moeder had altijd ontiegelijk veel ‘Heimweh’ naar Nederland.
Elke zomer keerden we terug naar Den Haag, naar oma. Ik voelde me er thuis en toch niet. Op het strand van Scheveningen werd ik uitgescholden: moffenkind. Terug in Duitsland lachten mijn klasgenoten als ik na de zomer struikelde over Duitse woorden. Mijn lerares, een oude nazi, lachte het hardst. Ik leerde mijn afkomst te verbergen.
Toen ik in 1980 naar Amsterdam verhuisde, voelde dat als een opluchting. Mijn Duitse man en ik begonnen een nieuw leven in de Jordaan, tussen gelijkgestemden. Ik sprak in die tijd al een beetje Nederlands omdat mijn moeder geprobeerd had mij tweetalig op te voeden. Dat bepaalde mede onze keuze om ons in deze prachtige stad te gaan settelen. Toen was Amsterdam een open en zorgeloze stad die iedereen welkom heette. Met verbijstering zie ik nu dat het tij in Nederland gekeerd is en een vriendelijk welkom voor vreemdelingen ver te zoeken is.
In Amsterdam kwam ik ook voor het eerst in aanraking met het boeddhisme in de Pieterpoortsteeg bij Jotika Hermsen. Sindsdien is vipassana meditatie de rode draad in mijn leven. Vaak reciteerden wij de Metta soetra, de soetra van liefdevolle vriendelijkheid. Alles op deze wereld is met elkaar verbonden. Door te mediteren drong dit inzicht steeds dieper in mij door.
Toch bleef er altijd dat knagende gevoel van anders-zijn. Eens liep bijvoorbeeld iemand tijdens een meditatiesessie – die ik begeleidde – weg, omdat hij mijn ‘Duitse accent’ niet kon verdragen. Vanaf dat moment sprak ik met een Amerikaans accent en vertelde ik mensen dat ik uit Ohio kwam. Ik weet, het derde voorschrift in het boeddhisme is: ‘Niet liegen.’ Toch heb ik deze keuze gemaakt, nu hoeft het niet meer. Mijn Nederlandse uitspraak is stukken beter dan die van prins Bernhard!
Zelfs bij de geboorte van onze eerste zoon wogen we onze keuzes. Geen Duitse naam, besloten we, uit angst voor vooroordelen. Toen een buurvrouw op kraambezoek snikkend zei: “Dat hier nog eens een Duits kind geboren zou worden,” voelde ik hoe diep de wonden van de oorlog nog altijd waren.
Ik wens dat mijn kinderen en kleinkinderen vrij zijn van deze schuld.
En dat mijn kleinzoon niet gediscrimineerd zal worden vanwege zijn huidskleur. De vader van een van mijn schoondochters komt namelijk uit Ghana. En toch hoor ik mijn kinderen discussiëren over witte en zwarte scholen, die er nog steeds zijn. Ben ik te hoopvol gestemd?
Pas op mijn 65e kon ik, zonder mijn Duitse nationaliteit te moeten opgeven, Nederlandse worden. Decennialang mocht ik niet stemmen, in geen van beide landen. In 2019 veranderde dat eindelijk, maar mijn ene stem heeft Nederland niet vriendelijker gemaakt voor vreemdelingen.
Mijn moeder keerde na de dood van mijn vader terug naar Nederland. Maar op 4 en 5 mei verdween ze. Gordijnen dicht. Deur op slot. De telefoon bleef stil. Voor even bestond ze niet.
Ik zal op 4 mei naar de Dam gaan. Ik zal met open ogen kijken en mijn blik niet neerslaan. Ik zal mijn familie herdenken — aan beide kanten. Ik zal stilstaan bij alle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, bij de doden en bij de overlevenden en hun diepe wonden. En ik zal mijn hoofd buigen voor de slachtoffers van oorlog en geweld, waar ook ter wereld. Een poging om mens te blijven in een wereld die soms onmenselijk is.
Omslagafbeelding: Nationale Dodenherdenking in Enschede in 2010, Remco Platjes, via WikimediaCommons.