De-Zes-domeinen-header-spiralen-04

De tien lijstjes: Zes domeinen van de reïncarnatie

Reïncarnatie is een omstreden begrip in het hedendaagse boeddhisme: lang niet iedereen die beoefent gelooft erin. Ook Tom niet. En tóch vormen de zes domeinen van de reïncarnatie zijn favoriete boeddhistische lijstje. “Eigenlijk gaan de zes werelden over de drie wortels van lijden: begeerte, haat en verblinding.”

Het boeddhisme wemelt van de lijstjes. De vier edele waarheden, de drie vergiften, het achtvoudig pad en de vijf leefregels. Wat heb jij aan die lijstjes? Voor deze serie selecteerde Tom Hannes zijn eigen top tien en geeft je tekst en uitleg.

Deel 6: De zes domeinen van reïncarnatie
Titelbeeld illustratie: Marijn van der Waa


Zoals zoveel boeddhisten in het Westen hecht ik weinig geloof aan reïncarnatie. Toch vormen de zes domeinen van reïncarnatie mijn oudste favoriete boeddhistische lijstje. Niet als beschrijving van letterlijke wedergeboortes, maar als metafoor voor de manier waarop we in dit leven van toestand tot toestand ‘herboren’ worden.

Ik schreef er meer dan tien jaar geleden mijn allereerste boek ‘Zen of het konijn in ons brein’ over, heb er sindsdien op deze site heel wat columns aan gewijd en gebruik ze nog alle dagen in mijn praktijk en begeleiding. De zes werelden (ook wel ‘zes rijken’) vormen een prima basis voor een boeddhisme van het dagelijkse leven en een praktische inleiding in de filosofie van het hele boeddhisme. Ze zijn immers een uitwerking van wat de Boeddha ‘de drie wortels van leed’ of de ‘drie vergiften’ noemt. Het hele boeddhisme gaat voornamelijk over leed en het verhelpen van leed. Dus of we nu geloven in reïncarnatie of niet: deze zogenaamde ‘drie vergiften’ moeten we hier en nu aanpakken. Elk hier en nu opnieuw.

In mijn analyse volg ik de achttiende-eeuwse Japanse zenmeester Menzan Zuiho in zijn Jijuyu Zanmai, die voor elke wortel twee werelden reserveert: één aangename en één onaangename.

1. Verblinding: deva’s

Laten we hoog beginnen. De goden. In de boeddhistische mythologie zijn de deva’s gelukzalige goden, die een lang en fijn leven leiden in hun hemel. Alleen met steengoed karma word je in hun rangen geboren. Toch is de devatoestand er een van verblinding: hun fijne leventje maakt hen zo hooghartig dat ze zich niet meer bekommeren om leed van de mindere wezens, of om hun eigen karma. Deva’s worden nadien dan ook vaak in een miserabele wereld herboren.

Als mentale toestand staat het devarijk voor de verblindende roes van het succes. Uit onderzoek blijkt dat wie lang rijk, populair of machtig is meer moeite heeft om empathie te bewaren voor de minder bedeelden. Ook wanen ze zich sneller verheven boven anderen. Zelfs als je meditaties allemaal deva-achtig zijn, word je makkelijk een zen-blaaskaak. Wat doe je dan? Wat is het tegengif voor verblinding? Aandacht. Je oefent actief en bewust je aandacht, vooral voor dingen die je hier-en-nu-gelukzaligheid kunnen vergallen: dingen die fout lopen in je leven, in de maatschappij, op de planeet. Alleen door een intens leedbewustzijn kan deva zijn macht ten goede blijven inzetten.

We zijn we nog liever veilig ongelukkig dan iets te riskeren om gelukkig te worden

Tweet

2. Verblinding: dieren

Het andere verblinde domein is dat van dieren. In de onromantische boeddhistische mythologie is het dierenleven miserabel: het staat helemaal in het teken van eten en vermijden gegeten te worden. Dieren zijn te verblind door hun leed om zich een ander leven in te denken. Als mentale toestand is een ‘dier’ iemand die vastzit in zijn patronen, hoewel hij wel voelt dat die patronen hem nodeloos klein houden. Ook hier is het tegengif aandacht, met name voor onze blinde gewoontes. Dat is niet makkelijk, juist omdat ze blind zijn. Bovendien houden we in een dierlijke toestand niet van veranderingen: we zijn we nog liever veilig ongelukkig dan iets te riskeren om gelukkig te worden. Maar toch is aandacht voor ons knellende gevoel en de aandacht voor de onvermijdelijke veranderlijkheid van het bestaan een eerste stap om te beseffen dat een ander leven echt in ons bereik ligt.

3. Haat: oorlogzuchtige asura’s

De asura’s zijn ook goden, maar in tegenstelling tot de gelukzalige deva’s, zijn ze altijd in oorlog. De asura’s willen een wensboom die bij de deva’s groeit veroveren, maar dat lukt hen nooit want ze kunnen de devahemel niet betreden. Als mentale toestand is de asura de mannetjesputter die onophoudelijk met iedereen in concurrentie ligt. Een asura is een mens met een doel en de energie om dat doel na te jagen. Dat is een fijne toestand. Daarom worden de asura’s ook onder de aangename haat gerekend.

reincarnatie en boeddhisme

Tekening: Tom Hannes. Uit: Zen of het konijn in ons brein

Maar als ze zo gefocust zijn op hun doel, waarom staan ze dan in de categorie haat in plaats van bij de begeerte? Omdat haat hun probleem is. Om hun doel na te jagen moeten ze onophoudelijk dingen afwijzen en zo nodig uit de weg ruimen: asura’s herleiden de hele wereld tot een rechte lijn naar hun doel. Hun relaties blijven beperkt tot tijdelijke bondgenootschappen of concurrenties. Hoe kunnen asura’s zich uit deze klauw bevrijden? Door het tegendeel van haat te beoefenen: vriendelijke openheid. Dat klinkt ongetwijfeld al te melig voor een asurageest (die al meteen de term Gutmensch voelt opborrelen), maar wie het in de praktijk toepast kan meteen voelen wat het met je doet. Als je met grote (en vaak heerlijke) gedrevenheid door je leven walst, erken dan even je asuraschap en open je blik, je ruimte voor dingen die niets met je doel te maken hebben. Je wereld verandert meteen. Ten goede.

4. Haat: in de hel

De hel is dan weer het domein van de uiterst onaangename haat. In de boeddhistische mythologie doen de hellen qua gruwel niet onder voor de christelijke variant. Met één belangrijk verschil: er komt ooit een einde aan als je hellekarma uitgeput is. Maar in je helletijd ga je zo tekeer tegen je kwelduivels dat je hellekarma alleen maar aangroeit. Hoe geraak je eruit?

Hetzelfde geldt voor de hel als mentale toestand: boosheid, felle angst, een acuut gevoel dat je levensruimte in elkaar wordt gedrukt. Je omgeving doet je vreselijk onrecht aan en je directe impuls is ineen te krimpen of terug te slaan. Dat doet je hel doorgaans alleen maar langer duren. Hoe doorbreek je die cyclus?

zes werelden boeddhisme

Tekening: Tom Hannes. Uit: Zen of het konijn in ons brein

Door het tegendeel van haat te beoefenen. Vriendelijk toelaten dus. Dat betekent niet dat je alle onrecht moet omarmen en besluiten dat alles eigenlijk toch in orde is. Dat soort onzin heeft nog nooit iemand bevrijd. ‘Toelaten’ betekent hier in de eerste plaats de hel erkennen, ruimte geven aan je ellende. Zo kun je – in plaats van te reageren als een furieus projectiel – rustiger en helderder kijken wat er aan de hand is. Die vriendelijke ruimte maakt het makkelijker om als helder mens naar oplossingen te zoeken.

5. Begeerte: gaki’s

Gaki’s zijn ‘hongerige geesten’, boeddhistische zombies zeg maar. Als mentale toestand staat de gaki voor frustratie. In zekere zin is de gaki een mislukte asura. Gaki’s hebben geen doel, maar wel een verlangen om iets te willen (‘had ik maar een passie’,…). Of ze hebben wel een doel maar niet de middelen om het na te jagen (‘kreeg ik maar promotie’…). Of hun doel is onbereikbaar (‘kreeg mijn lief mijn kindertrauma’s maar opgelost’).

We zijn vandaag een heuse gakicultuur, met ons eeuwig onvervulde verlangen naar het perfecte lichaam, relaties zonder ruzie, immer nieuwe consumpties…Geen wonder dat we er zo vaak zo mistroostig bij lopen. Hoe verlossen we ons uit de onaangename grijpende gaki-modus? Wat is het tegengif voor begeerte?

Zoals gebruikelijk ligt het antwoord voor de hand maar is het precies wat we vooral niet willen horen: hier en nu ophouden met grijpen. Terugkomen naar ons vermogen om gewoonweg hier en nu te zijn. Hoe saai klinkt dat! Vooral als een diep en onstilbaar verlangen je hoogste goed is. En toch is dat de enige exit uit de miserie. Doen. En je merkt het meteen.

6. Begeerte: mensen

De laatste wereld is de mensenwereld. Volgens de boeddhistische mythologie is dat de best mogelijke wedergeboorte. Wij mensen lijden minder acuut dan dieren, maar wel meer dan deva’s. Dat maakt ons miserabel en vrij genoeg om aan ontwakingswerk te doen. De boeddhistische manier om dat werk te verrichten is heel interessant: we leren onszelf te zien als wezens die zichzelf een identiteit ‘grijpen’. Wij mensen zijn de hele tijd bezig met onszelf een imago, een zelfbeeld bij elkaar te graaien. Dat is een belangrijk aspect van ons welzijn en we doen er goed aan om dat goed te verzorgen. Zonder min of meer stabiel zelfbeeld gaat het snel heel slecht met ons.

Maar wie geïnspireerd is door de Boeddha om een meer dan gewoon goed leven te leiden, die gaat precies ingrijpen in dit aangename grijpen. En ziehier één van de belangrijkste functies van meditatie: in plaats van alles wat we opmerken te gebruiken om ons een ‘ik’ te vormen (dit vind ik leuk, dit is van mij, dit is niet van mij, dit wil ik niet…), laten we elk grijpen los, keren telkens weer terug naar wat hier en nu opduikt en verdwijnt. Zonder graaien.

Dat is een van de hoofdpoorten van het boeddhistische ontwaken. In mythologische zin kan het ons niet alleen verlossen uit de ego-obsessies van het menselijke domein, maar zelfs ook uit de blinde patronen van het hele rad van wedergeboortes – al dan niet in combinatie met ene geloof in volgende levens. We worden vrijer om van moment op moment te kiezen: als wat voor wezen zullen we het volgende moment verschijnen aan de wereld? Waarmee wordt het leed in de wereld het beste verholpen?